Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
i»7 -
eener vochtkolom van den waterspiegel tot aan het onder-
vlak van het ligchaam gerekend, dat is de kolom A D. De
laatste is dus grooter dan de eerste, en het verschil van
Leiden staat gelijk met het gewigt van de hoeveelheid vocht,
die bevat zou kunnen zijn in de ruimte B C, waarin zich
het ligchaam bevindt. Is het ingedompelde ligchaam bijv.
een teerling van i palm zijde, en is het 2 palm diep onder
water gedompeld, dan zal er eene kolom water A B boven
staan van 2 cub. palm, die 2 pond weegt; de opwaartsche
drukking zal gelijk zijn aan het gewigt van de kolom water
A D, welke juist 3 cub. palm ruimte inneemt en dus 3 pond
bedraagt; deze overtreft derhalve de andere nagenoeg 1
pond, dat is zooveel als het gewigt bedraagt van het water,
dat zich zou kunnen bevinden in de ruimte, die door de
cub. palm wordt ingenomen. Wij kunnen het dus beschou-
wen alsof er op een ondergedompeld ligchaam maar twee
krachten werken: zijn eigen gewigt en eene naar boven
werkende kracht, die hier 1 pond groot is en die in 't alge-
meen gelijk is aan het gewigt van het vocht, dat door het
ligchaam verplaatst wordt. Het is daarom even alsof het lig-
chaam zooveel minder zwaar is, dan dat verplaatste water
weegt. Dit nu blijkt inderdaad het geval te zijn, als wij het
ligchaam wegen, terwijl het in het vocht ondergedompeld
is. Nemen wij bijv. een' steen, die 20 duim lang, 10 duim
breed en 4 duim hoog is, en die dus eene ruimte van
20 X 10 X 4 of 800 cub. duimen beslaat. Laat, bij we-
ging op de gewone manier, zijn gewigt bevonden worden 2
pond te bedragen; hangen wij vervolgens den steen aan een'
dunnen ijzerdraad onder aan eene schaal der balans op, in
stede van hem er op le leggen, en plaatsen wij daaronder
een' bak met water derwijze, dat de steen geheel onder
water hangt. Het gewigt van den steen in dien toestand
blijkt nu maar 12 oneen le zijn, dus 8 oneen minder
dan vroeger. Daar nu 800 cub. duim water ook juist
8 oneen wegen, zien wij, dat de steen juist zooveel lig-
ter is geworden, als het gewigt van het verplaatste water
bedraagt.
Uit het ondersteunen van een ligchaam door het water,
waarin het zich bevindt, of, zoo als men het oneigenlijk
ék