Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— !U —
zitten, oni op te wegen tegen de kracht, die liet ligchaam
doet vallen -, maar eene andere proef zal ons doen zien, dat
water inderdaad alle ligchamen opwaarts perst, welke proef
ons tevens nader met die persing hekend zal maken. Neemt
men eene tweemaal regthoekig omgebogen buis (Fig. 18) ,
I ^g die aan beide einden open is, en'welker eene
° arm A B veel langer is dan de andere C D,
H en plaatst men ze met die armen regtop-,
H legt men vervolgens op den effen rand van
j/^ ■ CTD den korten arm een dun plankje, en drukt
ffi "f men dit met de hand of door oplegging
^ ^^ ft van eenig gewigt op den rand der l3uis
aan-, giet men voorts water in den langen
arm, dan zal er, zoo lang het water daarin lager slaat dan
de rand van den korten arm, niets gebeuren als men
de hand of het gewigt wegneemt; maar zoodra het water hoo-
ger komt te staan, zal in het gestelde geval het plankje
onmiddellijk opgeligt worden , en het water er uit spuiten.
Door de drukkende kolom al hooger te maken, kan men
zelfs verkrijgen, dat het plankje met gewigt en al wordt
opgeligt; de opwaartsche drukking van het water tegen het
plankje is dan grooter dan de nederwaartsche drukking,
die het plankje en daarop staand gewigt uitoefenen. Doch
wij kunnen er dan meer gewigt op zetten en daarmede
voortgaan , totdat wij het kleinste gewigt gevonden hebben ,
dat juist toereikend'is, om het opligten te beletten. Wij
leeren op die wijze de hoegrootheid van de persing kennen.
Gieten wij dus meer water in den langen arm, zoodat de
hoogte van den waterstand daarin toeneemt, zoo zal er, om
evenwigt te maken, ook een grooter gewigt noodig zijn, en
dat gewigt groeit aan in dezelfde mate, waarin de hoogte
van het water in het lange been toeneemt; heeft men bijv.
gevonden, dat een palm water meer in de lange buis drie
oneen gewigt meer noodig maakt, dan zal elke volgende
palm water ook telkens juist drie oneen meer vereischen ,
om evenwigt te doen ontstaan. Wij kunnen dit naauwkeu-
rig uitdrukken met te zeggen: de opwaartsche persing van
water is evenredig aan den loodregten afstand van het vlak
van persing beneden den waterstand in de lange huis.-