Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
83 —
noemt men liet zwaartepunt. De juiste plaats daarvan in
eenig ligchaam kan men altijd door proefneming bepalen, zoo
als uit het volgende voorbeeld blijken zal. Onderstellen
wij, dat liet zwaartepunt van een driehoekig plankje ABC
(Fig. 5) moet gevonden worden.
Om dit te vinden, hange men het
plankje aan een der hoekpunten,
bijv. A, op, en trekke op de
plank de lijn A a, die door eene
aan dat punt gehouden loodlijn
wordt aangewezen. Vervolgens
hange men den driehoek aan een ander hoekpunt B op, en
Irekke wederom de lijn B Z» op het plankje, door de lood-
lijn aangewezen; daar, waar dan de beide rigtingen A a
en Bi elkander snijden in Z, ligt het zwaartepunt, wel te
verstaan, niet op het buitenvlak van 't plankje, maar bin-
nen in op de halve dikte. Is de plank overal even dik,
dan zullen de lijnen A « en B Z» de overstaande kanten BG
en AC juist in twee even groole deelen verdeelen. Het
zwaartepunt kennende, kan men nu vooruit den stand be-
palen, waarin het plankje zich zal plaatsen, wanneer wij
Fig. 6 cn 7. het aan eenig willekeurig punt D
(Fig. 6) ophangen; want, trekken
wij eene regte lijn door D en Z, dan
zal deze lijn zich loodregt stellen.
En willen wij het plankje van on-
deren in een punt E steunen (Fig. 7),
zoo zal het dan alleen in rust kun-
nen zijn, als het zwaartepunt Z zich
juist boven dat punt E bevindt. Dat ook op deze manier een
ligchaam in rust gebragt en gehouden kan worden, leeren
wij uit sommige kunststukken, die goochelaars dikwerf op
kermissen vertoonen, waarbij op de punt van een mes, op
een' pijpesteel, enz. groote ligchamen in evenwigt worden
gehouden, alsmede uit het koorddansen, waarbij de danser
zijn zwaartepunt voortdurend juist boven het koord moet
houden, indien hij zijn evenwigt niet verliezen wil. Tus-
schen zulk een evenwigt en dat van een hangend ligchaam
hestaat, gelijk bekend is, een wezenlijk onderscheid. Als