Boekgegevens
Titel: Kort begrip der algemeene geschiedenis, of Inleiding tot dezelve
Auteur: Curas, Hilmar; Schröckh, Johann Matthias
Uitgave: Leyden [etc.]: Du Mortier [etc.], 1811-1814
2e dr; 1e Nederlandse uitg. 1799-1802
Opmerking: Vert. van: Einleitung zur Universalhistorie zum Gebrauch bey dem ersten Unterrichte der Jugend. - 1729
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3000
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203447
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kort begrip der algemeene geschiedenis, of Inleiding tot dezelve
Vorige scan Volgende scanScanned page
alcemftene ceschibdknis, ' jl
menfchelijken genachts: Xij hebben -ook cenen
befiendigen invloed op elkander.
De verfchillendc. godsdienften hebben, dik-
raaals, aan de Staatkundige gefteldhcid der
Maatfchappij eene niéuwe gedaante gegeven;^
en , door de wijze van denken, welke zij
invoerden, nu dezelve onderfteund, dan we-
derom door onrustige bewegingen gefchokt.
Daar van daan . zijn zij ook door de bur^
gerlijke magt, op 'hare beurt, of befchermd,
en aan derzelver oogmerken dienstbaar ge-
maakt , of veracht en ^ vervolgd geworden»
Op dezelfde wijze hebben de wetenfchappen
alti.ïd invloed gehad op den Staatkundigen
toelland der menfchen, en hebben inzonder-
heid over derzelver godsdienst licht of duis-
ternis verfpreitU De nadeelige gevolgen van
onkunde en bijgeloof laten zich ook niet
duideliiker zien, dan door dezen zamenhang
der gebeurtenisfcn. Hij, derhalve, die (Icchts
ééne dezer drie foorten van gefchiedenisfen .
alleen beoefent, zal dezelve niet dan on-
volkomen kennen, en niet in ftaat zyn, om
op eene juiste wijze over de zaken-te kun-
nen oordeelen.
VIII. Niet minder behoort men zich to Gebruik
wachren , om een verkeerd gebruik te ma-der ver-
ken van eene andere verdeeling, welke '^^''^^nndc^ e.
den tijd is ontleend, en welke men zich,fchiedenu '
misfchien, verbeeldt het beoefenen der gü-mouócea ^
fchiedenis gemakkelijker te maken. Men vcr-"**^"^®*
deelt de gefchledenis in eene oude en
m: waarvan de eerde zich uitdcekt, van
her begin der wereld tot aan het einde der
vierde éeiuv na de geboorte van ciïris-
Tus, en de laatde van dezen even gemel- j
den tijd tot op den onzen. Of men fplitst \
nog ■
i