Boekgegevens
Titel: Kort begrip der algemeene geschiedenis, of Inleiding tot dezelve
Auteur: Curas, Hilmar; Schröckh, Johann Matthias
Uitgave: Leyden [etc.]: Du Mortier [etc.], 1811-1814
2e dr; 1e Nederlandse uitg. 1799-1802
Opmerking: Vert. van: Einleitung zur Universalhistorie zum Gebrauch bey dem ersten Unterrichte der Jugend. - 1729
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3000
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203447
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kort begrip der algemeene geschiedenis, of Inleiding tot dezelve
Vorige scan Volgende scanScanned page
V.
98 voorloopio denkbeeld van de
de. levenswijze, of de, wetenfchappen , die
men zich heeft uitgekozen, eenige vorde-
ringen te maken.
De nuttige kerigten, wplke, over het ge-
meen genomen, bruikbaar zijn, moeten , in
verband met de eerstgenoemden, uitgezocht,
en door dezelve bepaald worden: in het
vervolg, echter , kan men dezelve ook,
volgens eene andere bepalmg, bijeen zame-
len.
. Ten laatfte .volgen de meer aangename
£■;- verhalen van kleine gebeurtenisfen en om-
Handigheden ; merkwiaardige redevoeringen
en daden van bijzondere perfonen, en der-
gelijken meer ; die ons door derzelver zeld-
zaamheid, of andere belangrijke hoedanig-
heden zeker genoegen verfchaiFen. En ech-
ter moeten wij ook uit dezen altijd dat nut
trachten te bekomen , hetwelk daarin begre-
pen is.
Nood- lil' Tot de noodzakelijkfte kennis der
zakelijk- gefchiedenis behooren, de oorfprong en de
5er gefchiedenis der menfchen; de oprig'
fchiede'« fifg der burgerlijke maatfchappij en der
rijken; de ftichting van den Godsdienst, be-
nevens deszelfs lotgevallen; de voortgang,
welke de menfchen in zeden, wetten, kuns-
ten en wetenfchappen hebben gemaakt ; de
" grondvesting en inrigting der nieuwe, nog
beftaande rijken en /laten, en de gefchiede-
nis onzes Vaderlands.
Over- , IV. Gffchoon. wij , ondertusfchen , ons
Eigt der Werk er van maken, om deze bijzondere
gedeelten der gefchiedenis te leeren kennen,
^ ";zullen wij, echter , weldra gevoelen, hoe
moeijelijk het zij dezelve wel te verftaan en
te bèoordeelcn, zoo lang wij haar op zich
zel-