Boekgegevens
Titel: Kort begrip der algemeene geschiedenis, of Inleiding tot dezelve
Auteur: Curas, Hilmar; Schröckh, Johann Matthias
Uitgave: Leyden [etc.]: Du Mortier [etc.], 1811-1814
2e dr; 1e Nederlandse uitg. 1799-1802
Opmerking: Vert. van: Einleitung zur Universalhistorie zum Gebrauch bey dem ersten Unterrichte der Jugend. - 1729
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3000
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203447
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kort begrip der algemeene geschiedenis, of Inleiding tot dezelve
Vorige scan Volgende scanScanned page
41. ^

.iwl eidin g tot de

gevaren en den dood zelve, voor hunne
Vorften, en voor hun Vaderland geftreden,
cn, door hunne bedrevenheid en ïchrander-
heid, over het lot' van Rijken, en Volken
bêflïscht hebben. Maar de gefchiedenis; mv-
hmen ■ hem ook , dat moed cn dapper-
heid niet de eenige cigenlchappen zijn, die
van hem gevorderd worden; dat, in het mid-
den der oorlogen (vaak een noodzakefiiic
kwaad) alle 'deugden, waardoor dezelve
verdragelijk kunnen worden gemaakt , zich
op eene verhevene wijze kunnen vertoo-
iien; en dat hij, bij de beoefening van aiie
dezelven , vooral door menfchelijkheid de
hoogachting en liefde van alle regtfchapene
menlthen, zoowel in tijd van vrede als van
^ oorlog, moet weten te verwerven.
XXVIIL Eene zoo uitgebreide nuttigheid
nood- iiit de- beoefening der gefchiedenis geboren,
zakeiiik- bewijst geuoegzaam hoe noodzakelijk en on-
gcfchie" ontbccrliik zij is voor iedereen, dia over zich
deaisftfn, zelven en andere menfchen wil denken en
voorts de wereld wil leeren kennen, waarr
toe hij in zoo velerhande betrekkingen ilaat.
De gefchiedenis is,- om zoo te fpreken,
eene voorraadichuur van raadflagen en ber
fluiten, welke men dagelijks noodig heeft;
2ij leert ons, waarom de werdd zich in
bare tegenwoordige, uiet in eene andere,
gefteldheid bevindt; en komt het voor, dat:
wiï niet in eene kinderachtige onwetendheid I
bUiven, omtrent hetgene voor onze tijden i
geichiecl is, ten einde wy niet alle tijden i
naar de onze beoordeelen. Daar wij ook
door dezelve inzien, dat er in den grond!
•der zake niets nieuws in de wereld voor--
•valt, ofTchpoa ook a^Qre p^rfoqea teatoo--