Boekgegevens
Titel: Kort begrip der algemeene geschiedenis, of Inleiding tot dezelve
Auteur: Curas, Hilmar; Schröckh, Johann Matthias
Uitgave: Leyden [etc.]: Du Mortier [etc.], 1811-1814
2e dr; 1e Nederlandse uitg. 1799-1802
Opmerking: Vert. van: Einleitung zur Universalhistorie zum Gebrauch bey dem ersten Unterrichte der Jugend. - 1729
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3000
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203447
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kort begrip der algemeene geschiedenis, of Inleiding tot dezelve
Vorige scan Volgende scanScanned page
eÉ SCHIEDEN
allen iwakke en aan vele misflageni
hevige fchepfelen; echter bekwaam tot groote
en voortreffelijke daden; hulpeloos op zich
zeiven: maar beflemd, om elkander dit kor-
te leven verdragelijk en aangenaam te ma-
ken ; flechts waardig naar de ma?e der wijs-
héid en zedelijke goedheid, welke zij be-
zitten , en in fommige opzigten noch eep«
waardig noch nuttig, hoe groot het aanzien ,
de magt en de rijkdom zij, op dewelken
. zij zich beroemen kunnen. De gefchiedenis
leert ons, wat de menfchen gedaan hebben,
om te beantwoorden aan de oogmerken, ter
vervulling van dewelken god hen op deze
wereld heeft geplaatst; — of met andere " ^
woorden, welke pogii^gen zij hebben aan-
gewend, om, door verftand en deugd, zich
zeiven en anderen roo gelukkig te maken
als zij op deze wereld 'kunnen zijn. Aj
doet ons zien, hoe zeer de menfchen, door
alle tijden heen , door hunne begeerten en
driften zijn geregeerd geworden; uit welke
bronnen hunne misflagen ontfprohgen zijnf
hoe weinig zij den meesten tijd hun eigen
belang hebben gekend; wanneer en waarirt
zij tot volkomenheid zijn opgeklommen, of
hoe, en waar zij in onwetendheid en woest-
heid wederom zijn ter neder gezonken.
XXIII. De gefchiedenis, ons bekend ma- Tg, ^er.
kende met de menfchen en ons zelven, leert »rijging
ons even hierdoor, op de beste wijze, ^«^^"ht"-^'
bedachtzaamheid. Zij leert ons niets tc zeg- zi»ahei4
gen, en niets te doen, waarvan wij nader-
hand berouw zouden kunnen hebben; zij
leen ons , te voren, de gevolgen overzien van " ,
alles , wat wij voornemen; zij waarfchuwt 4
ons, geene valfche en ongcfckikte middelen
ß tc