Boekgegevens
Titel: Kort begrip der algemeene geschiedenis, of Inleiding tot dezelve
Auteur: Curas, Hilmar; Schröckh, Johann Matthias
Uitgave: Leyden [etc.]: Du Mortier [etc.], 1811-1814
2e dr; 1e Nederlandse uitg. 1799-1802
Opmerking: Vert. van: Einleitung zur Universalhistorie zum Gebrauch bey dem ersten Unterrichte der Jugend. - 1729
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3000
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203447
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kort begrip der algemeene geschiedenis, of Inleiding tot dezelve
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
INLEIDING TOT DE

TedeUjk wezen ^ derzelver voetftappeit op
te fporen.
Tet'be. XXI. De gefchiedenis , derhalve, leidt
ons'eigenaardig op tot de vereering van god^
Chrisu"ii). ^n tot die lietde^ met dewelke wij omtrenE
leen Gods. hem behoorcn vervulä te zijn. Maar wan-
diwisc, j^ggj, ^yjj j^y verder baar geleide volgen, en
door haar ontdekken , hoe ontelbaar vele-
middelen god aan het merschdom heeft ver-
leend, om hetzelve hein te leeren kennen
cn dienen ; hoe deze middelen 'door het
menschdom zijn gebruikt of misbruikt gewor-*
den 5 hoe de Godsdienst, dien wij belijden ^
gegrondvest, uitgebreid en in ftand gehou-
den is geworden; welke voordeelen hij den
menfchen heeft aangcbragt, en hoe dikwijls
deze zijne heilzame oogmerken en uitwcrk-
felen tegengewerkt en belet hebben — dan^
voorzeker, kan men zich, na zulke ontdek-^
kingen , niet onthouden dezen Godsdiemt
vurig te ttminnen^ en zijne voorfchriften
met ijver te betrachten^
Tottnen- XXIL In de gefchiedenis fpreken en han-
fdteimen-delen menfchén; en wel menfchen, die, ten
aanzien van den tijd, wanrin zij leefden, —
van de zeden, van den landaard, en der
goede of kwade eigenlchappen, gelijk ook
van de omftandighëdcn, waarin zij zich be-
vonden, en meer andere dingen, zeer van
elkander verfchillen. Zij zijn, echter, zoo
veel mógelijk wave, naar w^aarheid en tsr
goeder trouw befchreven. Men moet, der-
halve, de menfchen, over het geheel ge-
nomen , uit de gefchiedenis zeer goed leeren
kennen — gevolgeliik, ons zeiven — zij is
onze eigene gefchiedenis. Hier leert men,
dat de menfchxn allen elkander gelijk zijn;
us.

Sift