Boekgegevens
Titel: Kort begrip der algemeene geschiedenis, of Inleiding tot dezelve
Auteur: Curas, Hilmar; Schröckh, Johann Matthias
Uitgave: Leyden [etc.]: Du Mortier [etc.], 1811-1814
2e dr; 1e Nederlandse uitg. 1799-1802
Opmerking: Vert. van: Einleitung zur Universalhistorie zum Gebrauch bey dem ersten Unterrichte der Jugend. - 1729
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3000
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203447
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kort begrip der algemeene geschiedenis, of Inleiding tot dezelve
Vorige scan Volgende scanScanned page
fiESCHIEDEMIS. ij
worden. Zij is inzonderheid de leenneeste«
resfe der jeugd en der ongeleerden.
XX. Het is waar, het zijn menfchelijke, In tej
zigtbare handelingen , welke fn dezelve ^J^^^od
voorkomen : dan men bemerkt toch dik-ea zijne
maals, dat eene onzigtbare magt daarin Voorzie,
de hand heeft, dezelve in orde fchikt, enj'/^j^^^j'
tot zekere einden beftuurt: met één woord,
dat het coo zij, die de wereld en de men-
fchen regeert. Ontelbaar vela gebeurtenis-
fen hebben eene geheel andere uitkomst ge-
had, dan de menfchen hoöpten of vreesden:
doch zij moesten ten laatfte erkennen, dat
daardoor groote of heilzame zaken zijn
uitgewerkt geworden. Andere ontmoeten
elkander derwijze, of zijn zoo lange te vo-
ren toebereid gewordfen, dat men gedrongen
worde te erkennen, dat een hooger ver-
ftand derzelver loop moet overzien hebben.
Over het algemeen komt ons in de gefchie-
denis eene verbazende vermenging voor van
datgene, hetwelke men geluk cn ongeluk heet;
en echter flaat de evenaar altijd over ten
beste van het menfchelijk geflacht. Daar
vertoont zich eene fchijnbare verwarring ,
cn echter, wanneer men het beloop der za-
ken , waarin zich dezelve aan ons vertoont,
eenige tijden door één genomen, nafpoort,
zal men in dezelve, even gelijk in de na-
tuur, eene bewonderenswaardige orde ontdek-
ken. Het is waar, wij kunnen bij het uit-
vorfclaen van de goddelijke oogmerken dik-
maals dwalen, wijl ons verftand binnen te
enge grenzen is befloten, om dezelve in
haren ganfchen omvang te begrijpen: ma»
zij leggen ons bij menigte voor de oogen,
cji het is eene bezigheid, waardig voor een
r*-