Boekgegevens
Titel: Kort begrip der algemeene geschiedenis, of Inleiding tot dezelve
Auteur: Curas, Hilmar; Schröckh, Johann Matthias
Uitgave: Leyden [etc.]: Du Mortier [etc.], 1811-1814
2e dr; 1e Nederlandse uitg. 1799-1802
Opmerking: Vert. van: Einleitung zur Universalhistorie zum Gebrauch bey dem ersten Unterrichte der Jugend. - 1729
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3000
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203447
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kort begrip der algemeene geschiedenis, of Inleiding tot dezelve
Vorige scan Volgende scanScanned page
« S C H I ^ D E N I SJ
'3
te voren is opgegeven, voor het nadenken
of bepaald overwegen gefchikt zgn.
XVI. Eindelijk ; bedoelt men met het Ie- _ Bedon
zen der gefchiedenis het zoo verre te bren-'"S.
gen, dat zij Voor ons eene weienfchap wor-
de , ons geheel en al eigen ; dat is te zeggen ,
dat wij ons niet meer vergenoegen met te
gelooven, wat wij van dezelve gehoord en
gelezen hebben: maar dat wij alles zeiven .
onderzoeken ; zoo vele zekerheid daarom-
trent trachten te bekomen als mogelijk zij,
en alles, wat wij hebben opgezameld, toe
ons gebruik doen dienen ? dan blijft ons nog
veel overig te doen. Maar ook danrdoor
wordt men een geleerd kenner der gefchie-
denis; terwijl men zonder' dat flechts eon
ilefhehber van dezelve blijft.
XVII. Om tor zoodanig eene viretenfchap Tasikiin-
te geraken, is de kennis der voornaamfte^^^^^^^^
oude en nieuwe talen- in dewelken gefchied- denis
kundige geichriften en gedenkteEkenen. ver- noodzake-
vat zijn, ten uirerfte noodzakelijk. Zich
door dezelven voorbereid hebbende, moetdecikundó '
men zich, hierbij, bekend maken met alleen wijs-
bronnen en hulpmiddelen, welken er voor
de gefchiedenis te vinden zijn; met nog voor-
handen zijnde oudheden, munten, affcJirif-
ten , bemjsflukken, of gefchriften, welke,
bi] zekere gelegenheden, plègti^lijk zijn op'
gefield; ook met Ae. gcfc/iiejfchrijvers van al-
le tijden héén , zei ven. Men behoort daar-
toe , insgelijks, de tijdrekening en aardrijks'
befchrijvitig, volgens dci-zelver grqnddellin-
gen en in haren geheelen omvang, te beoe-
fenen: en deze ganfche werkzaamheid moet
vergezeld gsan van eene fchrandere oordcel-
kundc en gtzgvda vijsbegterte. Hij, die eer»
g«- -

Tf