Boekgegevens
Titel: Inwijding der nieuwe Louise-school, te Amsterdam ... 18 April 1854
Auteur: Suringar, W.H.
Uitgave: [Amsterdam]: [s.n.], 1854 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 965
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203399
Onderwerp: Onderwijs: voorschools onderwijs
Trefwoord: Scholen, Kleuteronderwijs, Amsterdam (stad), Louise Auguste Wilhelmine Amalie
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inwijding der nieuwe Louise-school, te Amsterdam ... 18 April 1854
Vorige scan Volgende scanScanned page
25
ontvangt het goede indrukken, 't geheugen wordt geoefend,
't oordeel gescherpt, het kind leert zich duidelijk en naauw-
keurig uitdrukken. De aanstootelijke manieren, die menigeen
tegen het kind innamen, verdwijnen van lieverlede, en lief-
talligheid neemt de plaats in. Het kind komt tot opmerk-
zaamheid en nadenken. In plaats van gemeene straatliedjes
of walgelijke en laffe vertellingen, wordt het bekend met
de heerlijke verhalen en gelijkenissen uit den Bijbel. Het
leert goede gezangen en liederen van buiten. En 't ga hoe
't wil, van dat in de zeer vroege jeugd gehoorde, gelezene
en van buiten geleerde, blijft altijd iets hangen. Al sche-
nen jaren lang alle sporen daarvan uitgewischt, 't komt
vroeg of laat niet zelden weder te voorschijn en werkt wel-
dadig. Een jaar lang bezocht dat kind onze school. Welk
eene verandering ten goede wordt er bespeurd! Men zou
het kind naauwelijks herkennen. De bleeke lijkkleur, de
droevige trekken zijn verdwenen!
Daarvan mogen zij, die zich den knaap of het meisje zoo
liefderijk aantrokken, niet onkundig blijven! De Moeder
zoekt met haar lieveling, hare weldoeners op. Het kind
ontving kleedij van de Louise-Krans. De weldoeners moe-
ten het kind zien, met dat nieuwe, mooije pak! De Moeder
vertelt, met tranen in de oogen, het verbeterde gedrag en
karakter van den kleine, de dien ten gevolge veranderde
en verbeterde physionomie van geheel het huisgezin. Zou
dat alles den weldoener onverschillig zijn? Verheugt het
hem niet, dat zijne geringe bijdrage haar doel niet geheel
gemist heeft? Spoort het hem niet aan, tot meer liefdebetoon
ten zelfden einde? Verheldert het niet zijne begrippen
over het weldoen met wijsheid? Bevestigt het hem niet
in de overtuiging, dat wie waarlijk overvloedige rente trek-
ken wil van zijne liefdadigheid, ze bij voorkeur wijden
moet aan het heil der behoeftige, vaak veronachtzaamde
jeugd? Tempert het aanvankelijk welslagen met dat kind,
't welk slechts eene kleine geldelijke opoffering vorderde,
zijn leed niet over vele mislukkingen bij volwassenen,
waarvoor bij handen vol gelds opofferde, dat hij als in het