Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
XI. Verdere verschijnselen in den dampkring.
A. LICHTVERSCHIJNSELEN.
§ I. De kleur des hemels. Wanneer geen wolken het gezicht
belemmeren, vertoont zich de hemel als een reusachtig koepelvormig,
blauwgekleurd gewelf, dat van boven afgeplat is en op den horizon
rust. Die blauwe kleur is het donkerst in het zenith en gaat naar
den horizon in een blauwachtig wit over.
In de subtropische zone vertoont zich dat blauw het donkerst,
naar den evenaar en naar de polen wordt het witter en onzuiverder.
Het ontstaan van dat blauw des hemels is zeer zeker in den damp-
kring te zoeken. Wij weten, dat het zonnelicht uit verschillende
kleuren bestaat, welke door een prisma en ook door gekleurde glazen
afzonderlek kunnen waargenomen worden. Nu noemen wij een voorwerp
blauw, wanneer het hoofdzakelijk de blauwe stralen, rood, wanneer
het de roode lichtstralen naar ons oog terugkaatst. Zoo weerkaatsen de
onzichtbare waterdamp en de zeer fijne stofdeeltjes in de lucht hoofd-
zakelijk de blauwe lichtstralen naar ons oog, en hierdoor schijnt ons de
lucht blauw. Op de hooge bergtoppen, waar boven zich slechts een
dunne luchtlaag uitstrekt en derhalve ook weinig blauwe stralen
kunnen teruggekaatst worden, schijnt de hemel donkerder, tot
bijna zwart.
Door bijzondere omstandigheden wordt de blauwe kleur des
hemels echter dikwijls gewijzigd. Zoo kan men somtijds des avonds
omstreeks zonsondergang en des morgens bij zonsopgang den hemel
in het prachtigste rood gehuld zien. Men noemt dit avondrood en mor-
genrood. Deze kleur ontstaat door de samenstelling des dampkrings.
Wanneer de lucht eene bepaalde hoeveelheid tot nevels of wolken
gecondenseerden waterdamp of vele stofdeelen bevat, laat zij hoofd-
zakelijk de roode lichtstralen door. Daardoor zien wij naar den
hemel, waar de zon ondergaat, als door een rood gekïeurd glas.
Vraag.
Waarom zal men in het voorjaar, als de lucht met veenrook vervuld is, de
zon rood gekleurd zien?
§ 2. Schemering. Wanneer des avonds de zon is ondergegaan,
heeft men niet plotseling nachtelijk duister, doch verzwakt het licht
eerst langzamerhand. Het licht, dat wij van de zon ontvangen terwijl
zij onder den horizon is, noemen schemerlicht. Dit schemerlicht
ontstaat door den dampkring. Wanneer de zon voor eene plaats op
aarde beneden den horizon is, ontvangen de hoogere lagen des damp-