Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
rond begint de passaat op 26° breedte, dus bij A in den zomer op
35° breeete, bij B. Eene plaats D op 30° breedte heeft in den
zomer den passaat en daarbij droogte, en in den winter den anti-
passaat met vochtigheid. D ligt dus in het gebied der winterregens.
Fig. 38.

KalmU \
ffofiLlin f
den zornjw J
gonUl in-
den mintef


IflVB
3''JfB
Verschuiving der passaten.
In het noordelijk halfrond heeft men de winterregens o. a. in
Noord-Afrika, de landen ten Z. der Pyreneën, Alpen en Balkan,
in Klein-Azië, Syrië en Palestina, Noordelijk Arabië, Mesopotamië,
Perzië, Californië, Oregon en Washington.
In het zuidelijk halfrond in Chili, het Kaapland, Z. W. Australië en
Nieuw-Zeeland. In den zomer valt in deze streken geen of weinig regen.
Opgaaf.
Verklaar door teekening, wanneer men in de Kaapstad den regentijd heeft.
§ 12. Verdere regenverdeeling. Overzicht. Ten N. en Z. van
de subtropische zonen heeft men regen in alle jaargetijden. Toch
bemerkt men ook hier, evenals bij de winden, dat er gemiddeld
in het eene jaargetijde meer regen valt dan in het andere. Terwijl
langs de westkust van Europa de herfstregens de overhand heb-
ben, heerschen in het binnenland meer zomerregens.
Naar den regentijd verdeelt men de aarde op de volgende wijze:
I. Gordel der windstilten met regen over
't geheele jaar, doch meest bij den hoogsten
zonnestand. (Maart en Sept.) Van 5° N.B.—5° Z.B.
II. Twee gordels met dubbelen regent ij d bij
den hoogsten zonnestand, van 5°—15° breedte.
(Door woestijnen deze gordels afgebroken.)
III. Twee keerkringsgordels met enkelen regen-
tijd bij den hoogsten zonnestand van 15°—28°
breedte. (Ook door woestijnen afgebroken.)
IV. De subtropische gewesten. (Gordels kan men ze
door de onregelmatige uitbreiding niet noemen.) 28°—40° breedte
met winterregens. Meest langs de westkusten.
V. Streken met regens in alle jaargetijden.