Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
79
Vraag.
Waardoor condenseert de watenlamp der lucht boven eene woestijnvlakte zelden ?
IV. De uitstraling van warmte door de benedenste luchtlagen
heeft het meest plaats in streken, waar de lucht weinig geconden-
seerden waterdamp bevat. Hierdoor kan deze alleen bij helder weer
plaats hebben. Door de directe uitstraling der lucht ontstaat op
weinig plaatsen regen; echter is de dauw vorming, die in Egypte en
op andere regenarme plaatsen den regen bijna geheel vervangt,
hiervan een gevolg. Bij sterke uitstraling gaat de dauw in rijp over.
V. Dê passaten, die naar plaatsen met geringer breedte stroomen,
zijn droge winden ; de anti-passaten zijn daarentegen vochtig. Hierdoor
heeft men in het gebied der passaten of liever der pölaire winden
(winden, die in de richting van de polen naar den evenaar waaien)
ook de meeste regenarme streken. De woestijngordel van Midden-
Azië tot den Atlantischen Oceaan (Gobi, Perzië, Arabië, Sahara),
de Kalahari in Zuid-Afrika en de droge kust van Peru strekken zich
in dit gebied uit. De gebergten om den Gobi berooven de reeds
waterdamparme lucht nog bovendien van hare vochtigheid.
§ ir. Tropische regentijd. In de tropische gewesten heeft men den
meesten regen in den tijd, dat de zon er het hoogst staat. (Opstijgende
lucht.) In den gordel der windstilten heeft men regen in alle maanden
des jaars. Ten N. en ten Z. van dien gordel zijn er tot nabij de keer-
kringen jaarlijks twee regentijden, welke met den hoogsten zonnestand
samenvallen. Nabij de keerkringen loopen die beide regentijden ineen,
daar de zon zich tijdens den hoogsten stand slechts weinig van het
zenith dier plaatsen verwijdert, om daarna weder terug te keeren.
In de tropische gewesten bestaat de onderscheiding in winter en
zomer niet zoo zeer in verschillen in temperatuur, doch meer in verschil
van droogte en regen. Den regentijd noemt men er den winter.
Vragen.
1. Bij ons hebben wij winter tijdens den hoogsten zonnestand; hoe is dit in
de tropische gewesten ?
2. In welken tijd van 't jaar heeft men den regentijd te Siërra Leona?
§ 12. Subtropische regentijd. Ten N. en ten Z. van 28° breedte
heeft men streken, die slechts bij den hoogsten zonnestand tot het
passaatgebied behooren. Men noemt dit de subtropische gewesten,
en deze strekken zich van 28° tot 40° breedte uit. In den tijd, dat
de passaat heerscht, dus in dén zomer, hebben deze streken droogte;
wijkt met de zon de passaat in den winter terug, dan zal in deze
gordels de anti-passaat de aarde bereiken. De anti-passaat is vochtig,
en daardoor heeft men er in dezen tijd regen. Dit is den laagsten
zonnestand, of in den winter.
Fig. 38 maakt het gezegde duidelijk. In den winter van het N. half-