Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
. 74
tig; de waterdamp uit de lucht condenseert door de aanraking of
de onmiddellijke nabijheid van het koude voorwerp. In de natuur
wordt hetzelfde veroorzaakt door de koude gebergten, en hierdoor
ziet men deze dan ook bijna altijd in wolken gehuld. Uit dezelfde
oorzaken is tevens te verklaren, dat in de bergstreken de grootste
hoeveelheid regen valt.
Wanneer de hemel onbewolkt is , straalt de aarde spoedig zeer veel
van de ontvangen warmte uit in de hemelruimte. Hierdoor daalt
de temperatuur der aarde in den zomer na zonsondergang snel,
en bovenal is dit met de planten het geval. Deze koude planten,
die omringd zijn door eene lucht welke rijk is aan waterdamp ,
doen de laatste condenseeren. Het water zet zich hierbij als drop-
pels op de planten en andere voorwerpen af. Op deze wijze ont-
staat de dauw.
Bij bewolkten hemel, wanneer wolken de uitstraling tegengaan en
het warmteverlies dus gering is, ontstaat er geen dauw, en evenmin,
wanneer de lucht in beweging is, zoodat er telkens van elders weer
warmte wordt aangevoerd.
Vraag.
Welke verschijnselen in de natuur zijn hiertoe nog te brengen?
§ 5. Condensatie door opstijgende luohtstroomen. Dat lucht, die
van de bergen nederdaalt, verwarmd wordt, hebben wg gezien bij
den Föhn. Omgekeerd koelt de lucht af, wanneer zij opstijgt en
hierdoor onder geringer drukking komt. Als de lucht zich in de
hoogte uitzet, gebruikt zij daartoe warmte, welke aan hare tem-
peratuur ontnomen wordt. In den gordel der windstilten heeft die
opstijging van lucht dagelijks op groote schaal plaats en veroorzaakt
daardoor des namiddags, wanneer die opstijging het sterkst heeft
plaats gehad, de hevige tropische regens.
Vraag,
In den zomer hebben wij de meeste onweeren tegen den avond. Hoe zou dit met
het verklaarde in verband gebracht kunnen woriien?
§ 5. Condensatie door uitstraling van warmte door de lucht. Na
zonsondergang verliezen de aarde en de lucht hunne warmte door
uitstraling in de ruimte. Wanneer nu de onderste luchtlagen hierdoor
zooveel afkoelen , dat zij boven het verzadigingspunt komen, wordt
de aanwezige waterdamp zichtbaar en er ontstaan avondnevels. In
den zomer en in het najaar kan men deze na schoone dagen zeer
dikwijls waarnemen. Het zijn dunne mistbanken van dikwijls niet
meer dan i M. dikte, die op de lage landen schijnen te rusten.
Vraag.
Waardoor ontstaan deze nevels meest in den zomer en in den herfst en minder
in den winter ?