Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
III. Worden hooge voorwerpen van ons ver-
wijderd, dan verdwijnt eerst het beneden-
ste gedeelte, later het bovenste gedeelte
voor ons oog.
IV. De zon gaat niet voor alle plaatsen op
aarde op hetzelfde oogenblik op en onder;
dit bewijst eene ronding van het W. naar
het O.
V. Wanne er wij in de richting Z. N. reizen,
zien wij regelmatig nieuwe sterren in
het noorden verrijzen, andere in het
zuiden verdwijnen. Dit is een bewijs voor
eene regelmatige buiging der aardopper-
vlakte van het N. naar het Z.
VI. Zeevaarders hebben de aarde omgezeild.
VII. Bij eene maansverduistering werpt de
aarde alt ij d eene cirkelvormig gebogen
schaduw op de maan. Daar de bol het eenige
lichaam is, dat in alle standen eene cirkel-
vormige schaduw op een plat vlak kan wer-
pen,.moet de aarde dus een bol zijn.
§ 4. Verklaring dier bewijzen. I. Onder het gezichtsveld op
aarde verstaat men dat gedeelte der aarde, 't welk men met het
bloote oog kan overzien. Natuurlijk hangt de grootte van dit gezichts-
veld mede af van de helderheid des dampskrings en is het daardoor
uitgebreider bij helderen hemel dan bij mistig weer. Doch ook bij
het helderste weer is het gezichtsveld nog altijd zeer beperkt. Wanneer
een persoon van 6 voet lengte bij kalm weer zich aan het zeestrand
bevindt, zal hij eene kleine boot op zee eerst zien op nagenoeg i uur
afstand; bij grooteren afstand zal zij voor hem geheel verdwijnen.
Was nu de aarde een plat vlak, dan zouden eveneens op grooten
afstand de voorwerpen voor ons onzichtbaar worden (door de beperkt-
heid van ons gezicht) doch die afstand moest veel grooter zijn. Die
beperktheid van ons gezichtsveld is nu een gevolg van het alzijdig ombuigen
der aarde, waardoor de voorwergen als achter hare ronding verdwijnen.
In fig. I is A het oog van den waarnemer, en zijn gezichtsveld
op aarde zal zich slechts tot B en C uitstrekken, terwijl voorwer-
pen bij D en E door de ronding der aarde voor hem niet zichtbaar
zijn. Was de aarde een plat vlak, dan zou zijn gezichtsveld natuur-
lijk veel uitgebreider zijn en eerst daar eindigen, waar de voorwerpen
te klein schijnen voor het oog, om gezien te worden.