Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
73 .
Vragen.
1. Wanneer kan de lucht den meesten waterdamp bevatten, in den zomer of in
den winter?
2. Waardoor hebben wij in het najaar meer avondnevels dan in het voorjaar?
I 2. Corzaken der condensatie van den waterdamp in de natuur.
De condensatie van waterdamp heeft in dè natuur op verschillende
wijzen plaats. De voornaamste oorzaken daarvan zijn:
I. Vermenging van een warmen met een kouden
luchtstroom.
II. Afkoeling der lu.cht door koude voorwerpen
(bergen b ij v.).
III. Opstijging der lucht.
IV. Uitstraling van warmte door de lucht.
V. Afkoeling der lucht door verplaatsing naar
kouder streken.
Ofvierking.
In den laatsten tijd heeft men opgemerkt, dat de condensatie van den waterdamp
in de lucht bevorderd wordt door de aanwezigheid van fijne stofdeeltjes. Hierdoor
ook zouden boven de groote steden, waar altijd zeer veel stofdeelijes in de lucht
zweven, zooveel nevels en misten ontstaan.
'i 3. Condensatie door vermenging van luchtstroomen. Wanneer
zich een warme luchtstroom, welke een groote betrekkelijke voch-
tigheid heeft, met een kouden luchtstroom vermengt, koelt hij daardoor
af en zoo kan hij eene temperatuur verkrijgen, bij welke hij den
aanwezigen waterdamp niet meer als damp bevatten kan. Deze con-
denseert dan en gaat in zichtbaar water over.
Een voorbeeld moge dit verduidelijken. Volgens de opgegeven
tabel kan lucht van 25° C. per M®. 22,8 Gram waterdamp bevatten,
terwijl lucht van 0° C. 4,9 Gr. waterdamp kan dragen. Nemen wij
nu aan, dat twee winden van gelijke kracht en van bovenstaande
temperatuur zich met elkander vermengen, terwijl ze met waterdamp
verzadigd zijn. Door deze vermenging verkrijgen wij lucht van
12,5° C., terwijl het gemiddelde waterdampgehalte ^Gr.
2
= 13,85 Gr. bedraagt. Daar lucht van 12,5° C. slechts 10,96
Gr. waterdamp per M'. kan inhouden, moet er dus 2,89 Gr.
per M'. in zichtbaar water overgaan. Door bijkomende omstandig-
heden worden echter deze cijfers veelal nog gewijzigd.
Vraag.
Waardoor verklaart men, dat in den winter de adem der menschen in de vrije
lucht wel, in den zomer niet zichtbaar is?
§ 4. Condensatie door aanraking met koude voorwerpen. Koude
flesschen uit den kelder in een warm vertrek gebracht, worden voch-