Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
67
luchtbeweging om de depressie aan. Verder teekent de groote pijl
de hoofdrichting, waarin zich de depressies van den N. Atlant.
Oceaan gewoonlijk door den dampkring bewegen.
Volgens ervaring ontstaan er vele depressies boven den Atl.
Oceaan, welke in eene richting naar het N.O. in Europa aan-
komen. Bereikt nu het punt A van het stormveld eene plaats, bijv.
Nantes , dan zal hier de wind Z.O. zijn. Als het stormveld zooveel
verder gegaan is, dat D te Nantes is aangekomen, zal de wind-
richting reeds meer zuidelijk zijn. Wanneer F er verder aankomt, is
de wind reeds Z.W en later zal ze westelijk worden. Zoo wisselt
de richting van den wind bij eiken storm af, al naar de lijn, welke
eene plaats door het stormveld doorloopt.
Wanneer de depressie is aangevuld, houdt de storm op.
S i6. Hoozen of tromben. Wanneer een stormveld eene zeer
geringe middellijn heeft, ontstaan er luchtwervelingen, die men hoozen
of tromben noemt. Zij ontstaan door het onregelmatige toestroomen
der lucht naar eene depressie. Hunne middellijn gaat zelderi boven
60 M. Bij dien kleinen omvang is hunne kracht soms verbazend groot.
Zware boomen worden door hoozen geheel afgedraaid, huizen wor-
den er soms door verplaatst. Zweven zij boven eene zandige vlakte,
dan voeren zij stof en zand tot zuilen naar boven en noemt men ze
zandhoozen \ zweven zij boven het water, dan voeren zij dit eveneens
naar boven. Deze laatste noemt men waterhoozen. Zie fig. 34 en 35.
§ 17. Enkele locale winden. In Zwitserland heerscht somtijds,
en wel meest in den winter, een warme Z.- of Z.O.-wind, dien men
Föhn noemt (Lat. Favonius =: Z.W. wind). Door de groote hoe-
veelheid sneeuw, welke hij doet smelten, noemt men hem wel
ï sneeuw vreter." De Föhn ontstaat door eene depressie, die ten N.W.
en N. van de Alpen gevonden wordt, en die de lucht van alle zijden
in cyclonale luchtbeweging doet toestroomen. Stroomt nu de lucht
van de Alpentoppen naar beneden, dan komt ze steeds onder grooter
drukking en met elke 100 M. dat de lucht daalt, rijst de temp.
bijna 1° C. In den winter is de afneming van warmte in de hoogte
0,45° C. voor elke 100 M., zoodat de nederdalende lucht eene winst
in temperatuur van 1°—0,45° C. o,55°C. voor elke 100 M. daling
verschaft aan de plaatsen, waar hij aankomt. Voor eene hoogte van
2500
2500 M. bedraagt dit 0,55° X - = i3i7 5° C. Ook elders
100
heeft men Föhn-winden. Alle winden, die van de bergen dalen, worden
daardoor warmer.