Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
I. De Aarde als Hemellichaam.
§ i. Taak der Wiskundige Aardrijkskunde. De aarde, welke wij
bewonen, staat niet op zich zelf; zij is afhankelijk van andere hemel-
lichamen, terwijl deze op hun beurt weer afhankelijk zijn van de
aarde. Vele verschijnselen op aarde, als licht, warmte, wind en de
beweging der aarde en van het water op hare oppervlakte staan
in de nauwste betrekking tot de andere hemellichamen, en wel
bovenal tot de zon en de maan. Deze beide hemellichamen oefenen
door hun grootere nabijheid den meest merkbaren invloed op de aarde
uit. De aarde als hemellichaam te beschouwen en hare betrekking
tot de andere hemellicha/nen na te gaan, is de taak der wiskundige
aardrijkskunde.
§ 2. Gedaante der aarde. De aarde heeft eene bolvormige gedaante.
Dit strijdt met den indruk van den oppervlakkigen waarnemer.
Wanneer men zich toch op het vrije veld bevindt, schijnt de aarde
een plat vlak, waarop het blauwe hemelgewelf als een reusachtige
koepel rust. Deze eerste indruk bepaalde de voorstelling, welke de
ouden van de aarde hadden. De Grieksche dichter Homerus stelde
haar voor als eene ronde schijf, door den oceaan omspoeld; Thales
van Milete meende, dat die schijf in het water dreef. Doch reeds
vroeg maakten zich enkele denkers van dien eersten indruk los;
Pythagoras (6e eeuw v. Chr.), Eudoxus en Aristoteles (4e eeuw v. Chr.),
de laatste wel het meest bepaald, leerden reeds, dat de aarde een
bol moet zijn. Echter^ zijn de afmetingen van dien bol zoo groot.,
dat het gedeelte.^ 't welk wij overzien kunnen, weinig van een plat
vlak verschilt.
§ 3. Bewijzen voor den bolvorm der aarde. Dat de aarde een
bol moet zijn, kan door de volgende feiten bewezen worden:
I. Het gezichtsveld op aarde is zeer beperkt
in grootte, en heeft overal eene cirkel-
vormige gedaante.
11. Het gezichtsveld wordt grooter, naar-
mate wij ons meer boven de oppervlakte
der aarde verheffen.
11. Blink, Wis- en Xatiiurk. Aardrijkskunde. i