Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
6i
Boven den Grooten Oceaan zijn de uiterste grenzen der passaten
de volgende:
' 2 5°N.B. . - 30° N.B.
N.O<-passaat in den winter. tot Zomer, j [ tot
- 5° N.B. ' 10° N.B.
1 r 5° N.B. f 10° N.B.
Gordel der windstilten in den winter. tot Zomer, j tot
I ^ 3° N.B. ' ' 7° N.B.
( r 3° N.B. , r 7° N.B,
Z.O.-passaat in den winter . . . • j tot Zomer. ■ ! tot
( ^ 2 8°Z.B. ^ zo'Z.B.
Bestond de aardoppervlakte overal uit dezelfde stof en was ze
een zuivere bol, dan zou die verschuiving regelmatiger zijn.
Vragen.
1. Zou de verschuiving der passaten ook plaats hebben, als de aardas eene
helling van 90° met het vlak der ecliptica maakte?
2. Welke zouden de gevolgen zijn voor de verschuiving der passaten, zoo de
aardas een hoek van 0° met het vlak van de ecliptica maakte?
§ 7. Ontstaan der moessons. Dat het land sneller in tempera-
tuur afwisselt dan de zee, hebben wij reeds gezien. Dit heeft ten
gevolge, dat op plaatsen in de warme luchtstreek, waar eene uit-
gestrekte landmassa aan het water grenst, in het jaargetijde van den
hoogsten zonnestand de temperatuur boven het land, in het jaar-
getijde van den laagsten zonnestand de temperatuur boven de zee
het hoogst zal zijn. Is nu de temperatuur boven het land het hoogst,
dan zal de lucht er uitzetten en van boven afvloeien, waardoor de
luchtdrukking boven 't land geringer wordt. Hierdoor is het even-
wicht verbroken en in dit jaargetijde ontstaat er een bijna regel-
matige wind van de zee naar het land.
Bij den laagsten zonnestand is dit temperatuurverschil niet zoo
groot, daar het land de warmte sterk uitstraalt. Ook is dan het ver-
warmingscentrum verplaatst en zoo kan de passaat zijn gebied her-
nemen. Dit veroorzaakt op vele plaatsen een wind, welke va?i het
land 7iaar de zee waait, en die als tegengestelde wind van den
straks genoemden zeewind beschouwd wordt.
De eerstgenoemde wind, van de zee naar het land, valt echter het
meest in het oog, terwijl die van het land naar de zee op vele
vele plaatsen niets anders is dan de passaat. Men noemt deze winden
moessons (van 't Arab. mausim = jaargetijde), omdat zij met de
jaargetijden afwisselen. De zaak kan men zich op vele plaatsen dus
voorstellen:
Bij den hoogsten zonnestand waait er een zeewind, die den passaat
tijdelijk verdringt. Dit is de natte moesson.