Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
54
vloeistof in alle richtingen voortplant. Elk waterdeeltje op den bodem
van een vat ondervindt de drukking van de daar boven liggende
lagen, en oefent deze niet alleen op den bodem, maar ook op de
naast haar liggende deeltjes uit. Zoo ondervindt elk waterdeeltje
eene drukking van de omringende deeltjes en oefent daarop weder-
keerig drukking uit. Zijn deze wederzijdsche drukkingen van alle zijden
volkomen gelijk, dan is er evenwicht en de vloeistof is in rust; is
die drukking niet gelijk, dan komt de vloeistof in beweging.
Hetzelfde is met de lucht het geval. Wij kunnen de beweging
der lucht terugbrengen tot eene ongelijkmatige drukking, welke
elk luchtdeeltje van de zijden ontvangt en zijdelings uitoefent. Laten
wij nu nagaan, waardoor die ongelijke drukking ontstaan kan.
Het valt gemakkelijk te begrijj:en, dat eene laag van i dM. kwikzilver
in een bakje grooter drukking op den bodem en op de wanden
uitoefent dan eene gelijke laag water. (Kwikzilver heeft een soortelijk
gewicht van 13,6). Hoe grooter dus het soortelijk gewicht van
de vloeistof is., des te grooter is ook de zijdelingsche drukking, welke
elk deeltje ervan ondervindt en uitoefent. Verder staat de laag aan
den bodem onder de drukking van alle daarboven liggende lagen.
Hoe hooger dus de laag der vloeistof is boven het punt van waar-
nemingdes te grooter is de zijdelingsche drukking, welke elk deeltje
ervan ondervindt en uitoefent.
De maat der drukking van de lucht wordt gevonden met den
barometer (zie bladz. 42). Gemiddeld bedraagt deze 760 mM.,
doch telkens wijkt de werkelijkheid van dit gemiddelde af. Waar
de barometerstand het hoogst is, is ook de wederzijdsche drukking
van de luchtdeeltjes het grootst, en van hier stroomt de lucht naar
plaatsen met geringer drukking, of met lager barometerstand.
Als algemeenen regel kan men aannemen: De lucht stroomt
van plaatsen met hoogen barometerstand naar plaatsen met
lagen barometerstand. Hoe grooter het verschil in drukking
is, des te sterker is de wind.
De oorzaken van dien ongelijken barometerstand liggen hoofd-
zakelijk in de ongelijke temperatuur van de lucht op verschillende
plaatsen. Wanneer de lucht verwarmd wordt, zet ze zich sterk uit
en wordt daardoor soortelijk lichter. Heeft men op eenigen afstand
daarvan plaatsen, waar de verwarming geringer is, dan zal de lucht
daar soortelijk zwaarder blijven, en als de luchtkolommen gelijke
hoogte hebben, is het evenwicht verbroken. De zware lucht met sterke
drukking stroomt in de lichte lucht met geringe drukking en duwt
deze naar boven.
§ 3. Land- en zeewind. Op bladz. 45 zagen wij reeds, dat het