Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
48
§ 8. Invloed der hoogte van eene plaats op hare temperatuur. De
verwarming der lucht heeft hoofdzakelijk plaats door de aarde. Hoe
verder wij ons dus van de aarde verwijderen (van de warmtebron
voor den dampkring), des te lager wordt de temperatuur. Wel stijgt de
bij de aarde verwarmde lucht op, maar bij dit opstijgen zet ze uit
en daartoe verbruikt ze de aanwezige warmte. Deze warmte wordt
omgezet in beweging.
Dit warmteverlies bedraagt voor droge lucht i° C. voor elke
loo M. dat ze opstijgt. Daalt daarentegen de lucht van de hoogte
neder, dan wordt ze verwarmd en wel i° C. voor elke loo M.
dat ze daalt.
Een bergtop is eene kleinere warmtebron voor den dampkring
dan de vlakte. Daar zulk een alleenstaande top dus de omringende
lucht weinig warmte kan toevoeren, is de temperatuur op den top
ook lager dan in de vlakte. Bij eene hoogvlakte is de warmtebron
grooter en derhalve ook de temperatuur hooger dan bij een alleen-
staanden top. Gemiddeld bedraagt die afneming der temperatuur
0,6° C. op elke 100 M. bij het bestijgen van bergtoppen, en 0,5° C.
voor elke 100 M. bij hoogvlakten.
Ook is op aanzienlijke hoogten de luchtmantel, die de warmte bij de
aarde bewaart, dunner, eri daardoor gaat de warmte er spoedig verloren.
§ 9. Invloed van de beweging des dampkrings en van de zeestroo-
men op de temperatuur. Zeker heeft de beweging der lucht door
de wrijving eene geringe temperatuurverhooging tengevolge; echter
is deze nog niet genoeg onderzocht. Maar door de verplaatsing der
warme en koude lucht heeft de beweging des dampkrings de meeste
beteekenis voor de temperatuur van eene plaats.
Dit is algemeen bekend; wanneer er gesproken wordt van zui-
denwinden denken wij onwillekeurig aan warmte , van noordenwinden
aan koude.
De stroomingen in de zee vervoeren als het ware ook warmte
en koude, en worden daarnaar in warme- en koude stroomingen
onderscheiden. Dat deze door directe verwarming invloed uitoefenen
op de temperatuur der lucht, is duidelijk. Doch ook indirect oefenen
zij daarop invloed uit door den waterdamp, dien zij aan de lucht
geven en waardoor zij werken op de wijze als vroeger verklaard is.
Vraag.
Welken invloed oefent eene warme zeestrooming des zomers en welken des win-
teis uit op de temperatuur van een land?
§ lo. Gemiddelde temperatuur. De temperatuur van eene plaats
vindt hare meest beknopte uitdrukking in de opgave van hetgemi/l-