Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
44
§ 4- Invloed van de lengte der dagen. Dat de duur derverwar-
mmg van veel invloed is, valt gemakkelijk te begrijpen. Hierdoor
ontvangen de plaatsen op hooge breedten in hun zomer betrekkelijk
veel warmte, waardoor er in korten tijd alles moet groeien. Ten
noorden van den poolcirkel heeft men in Skandinavië zelfs gerst zien
ontkiemen en rijp worden binnen 7 weken.
§ 5. Klimaatgordels. De warmte, de hoofdfactor van het klimaat,
hangt dus in vele opzichten van den stand der zon af. Hiernaar
heeft men de aarde dan ook verdeeld in 5 klimaatgordels of lucht-
streken. Men zou dit de wiskunstige klimaten kunnen noemen,
waarvan echter de werkelijke veel afwijken.
Tusschen de keerkringen heeft men de heete luchtstreek.
Tusscheri de keerkringen en de poolcirkels heeft men de gema-
tigde luchtstreken.
De gedeelten der aarde, welke door de poolcirkels ingesloten
worden, noemt men de koude luclitstreken.
De grenzen van deze klimaatgordels worden dus door de zon
aangegeven. Hiernaar noemt men ze ook solaire klimaatgordels (sol
Lat. = zon), 't Is opmerkelijk, dat het woord klimaat oorspronke-
lijk helling, neiging, beteckende (van't Gr. klinein = buigen, neigen).
Men verstond daaronder den hellbgshoek der zonnestralen met de
aardoppervlakte en bepaalde daarnaar alleen de grens der klimaten.
Vragen.
1. Hoeveel maal in 't jaar krijgen de bewoners der keerkringen de zon In het zenith ?
2. Hoe groot is de invalshoek der zonnestralen voor den noorderkeetkriog
den 21 Juni. den 22 Maart, den 21 December?
3. Hoeveel graden is elk der klimaaigordeU breed?
§ 4. Temperatuur. Onder temperatuur van eene plaats verstaat
men de luc/Uwarmlezooals die aangewezen wordt door een ther-
mometer, welke vrij van andere verkoelende of verwarmende in-
vloeden in de lucht hangt. Was de dampkring overal volkomen
gelijksoortig en zonder beweging, dan zou de temperatuur alleen
afhangen van den afstand der zon, den invalshoek der stralen en den
duur der beschijning. Wij zullen thans de invloeden leeren kennen,
die de werking der zormewarmte voor verschillende plaatsen wijzigen.
De voornaamste dier invloeden zijn:
I. De gesteldheid van den bodem.
II. De toestand van den dampkring.
III. De neerslag uit den dampkring.
IV. De hoogte boven de oppervlakte der zee.
V. De beweging van den dampkring.
VI. De koude en warme zeestroomingen.