Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
plaats ontvangt, hangt, zoo de toestand van den dampkring overal
dezelfde is, hoofdzakelijk af van de volgende factoren.
I. Van den afstand der zon tot de aarde.
II. Van den invalshoek der zonnestralen op de
aarde.
III. Van den duur der beschijning door de zon.
§ 2. Intensiteit der zonnestralen. De natuurkunde leert, dat de
kracht der warmtestralen vermindert in evenredigheid van de vier-
kanten der afstanden van het warmtegevende voorwerp. Wij hebben
reeds gezien, dat de aarde eene elliptische baan om de zon be-
schrijft, en daardoor in onzen zomer verder van de zon verwijderd
is dan in onzen winter. Hierdoor is de kracht der zonnestralen in
den zomer voor ons geringer dan in den winter. Voor het zuidelijk
halfrond is echter in hun zomer de kracht van elk der stralen grooter
dan in hun winter.
§ 3. Beteekenls van den invalshoek der zonnestralen. Niet alleen
de directe kracht der zonnestralen bejjaalt hun warmtegevenden
invloed; deze hangt meer af van den invalshoek dier stralen op
aarde. Wanneer die invalshoek 90° geeft een bundel zonnestralen
de tneeste warmte; hoe meer hij daarvan verwijderd is, des te geringer
wordt hunne werking.
Fig. 22.
A
V n
B
In fig. 22 stelt Ji een bundel zonnestralen voor, die met een
scherpen invalshoek , < C (?, op aarde vallen, en de bundel Q
maakt met de aarde een rechten hoek. Door bundel H wordt de
ruimte C—D verwarmd, terwijl de gelijke bundel Q slechts de ruimte
A—B verwarmt. Bij C—D moet zich dezelfde warmte over eene grootere
ruimte verbreiden en daardoor ontvangt ieder deel er minder van.
Vraag.
i. Waardoor verwarmen in onzen winter de zonnestralen de aarde niet zooveel
als in onzen zomer, hoewel in den winter de zon dichter bij de aarde is en dus
de kracht der stralen grooter moet zijn?