Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
42
dampkring zoo ijl, dat ze het licht niet meer naar de aarde kan
terugkaatsen.
De zwaarte van den dampkring is beter bekend dan de hoogte.
Men meet deze met den barometer (baros Gr. — zwaarte). Met den
barometer kan men aantoonen, dat de gemiddelde zwaarte van de
geheele luchtlaag gelijk is aan die van eene laag kwikzilver van
76 c.M. hoogte.
Als nu de dampkring overal even dicht was, zou men hieruit
gemakkelijk de hoogte kunnen afleiden; echter zijn de onderste
luchtlagen, die door alle bovenste lagen gedrukt worden , veel dichter
dan de hooger gelegene, waardoor deze berekening moeilijker wordt.
Vragen.
1. Hoe hoog zou eene waterlaag op de aarde moeten zijn, om gelijke
drukking uit te oefenen als thans de dampkring? (Het soortelijk gewicht van
kwik = I3i6).
2. Hoe groot is de drukking op 1 d.M.^ der aarde in K.G.?
§ 4. Klimaat. Den toestand des dampkrings in betrekking tot
warmte, wind en vochtigheid noemen wij het weer. Het gemiddelde
dier weêrstoestanden over een langen tijd noemen wij het klimaat
van een gebied. Dit klimaat, dat voor de aarde en hare bewoners
van zooveel belang is, hangt dus af van de volgende factoren :
I. Van de warmte, welke de dampkring opneemt.
II. Van de beweging der lucht.
III. Van de vochtigheid in den dampkring.
VIII. Temperatuur van den dampkring.
§ I. Warmtebronnen voor den dampkring. De warmte van den
dampkring en van de aardoppervlakte komt hoofdzakelijk van
buiten, en slechts voor een zeer klein gedeelte uit de aarde zelf.
Dat de aarde ook zelf warmte bezit, wordt bewezen door warme
bronnen en vulkanen. Echter is die warmte voor den dampkring zoo
gering, dat deze niet meer dan '/g „° C. in temperatuur zou verlaagd
worden bij het ophouden der aardwarmte.
Ook de sterren stralen warmte uit naar alle zijden en verhoogen
aldus de temperatuur der hemelruimte. Deze valt regelmatig aan
de aarde ten deel en vermindert de groote warmte-verschillen (dag-
nacht ; winter-zomer) eenigszins.
De hoofdbron van warmte voor de aarde is de zon. Van de
warmte, die dit hemellichaam naar alle zijden uitstraalt, ontvangt
ook de aarde haar deel. Echter is de zonnewarmte niet voor elk
harer deelen gelijk. De hoeveelheid zonnewarmte, welke eene bepaalde