Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
Van nieuwe maan tot volle maan neemt de maan steeds toe in grootte; meü
spreekt dan van -wassende inaan\ van volle maan tot nieuwe maan wordt ze steeds
kleiner en men spreekt van afnemende maan. Als men aan den hemel van de
maan gemakkelijk eene [kan maken, heeft men wassende
maan; kan men er gemakkelijk eene | van maken, dan heeft men
afnemende maan.
Vragen en Opgaven. *
1. Waaraan kan men weten, dat de maan haar licht, van de zon ontvangt?
(Donkere plekken; verlichte kant der maan, phasen.)
2. Hoe ontstaan de phasen der maan ?
3. Waaraan kan men weten, dat de maan altijd dezelfde zijde naar de aarde
toekeert? (De vlekken.)
4. Hoe ontstaat het aschgrauwe licht?
5. Waardoor kan dit niet ontstaan bij eerste kwartier, volle maan en laatste
kwartier?
6. Hoe kan men gemakkelijk aan de maan zien, of men afnemende of wassende
maan heeft?
§ -2. Verduisteringen. Als de maan met de zon in conjunctie
staat, bij nieuwe maan, is hare donkere zijde naar den verlichten
kant der aarde gekeerd. Aan de van de zon afgewende zijde der
maan heeft men dan eene kegelvormige donkere ruimte, die men
schaduwkegel noemt. Als deze schaduwkegel de aarde raakt, wordt
op die plek het zonnelicht door de maan onderschept en men heeft
eene zonsverduistering of zoneclips (Gr. ék-leipsis = het uitblijven,
verdwijnen). Deze naam is echter onjuist; de zon wordt niet ver-
duisterd, doch de maan is een scherm , dat haar licht voor de
aarde tegenhoudt.
Fig, 18 duidt aan , hoe zich die schaduwkegel der maan door
hare beweging over de aarde verplaatst. Is de maan in dan
raakt haar schaduwkegel juist de aarde. Echter is dit nog niet de
volle schaduw, en langs de maan kan men nog een gedeelte der
zon zien. Bij a heeft men slechts eene gedeeltelijke verduistering.
Als de maan tot ni' is gevorderd, heeft men eene donkere plek,
waar de aarde in 't geheel geen licht van de zon ontvangt, en dus
de verduistering volkomen is. Aan beide zijden heeft men een gebied
tot t en w, dat gedeeltelijk verduisterd wordt. En buiten ^en//heeft