Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
34
avond is de maan reeds 13 verder van de zon verwijderd. Daar de
zon stilstaat, moet zich dus de maan wel van het W. naar het O.
bewogen hebben.
De maan bnveegt zich in 29^ dag om de aarde en wentelt in dien
tijd ééns om hare as, waardoor zij altijd denzelfden kant ftaar de
aarde toekeert.
In fig. 17 is de aarde omgeven door de maanbaan. De aarde
is voor de helft verlicht door de zon, die op zeer grooten afstand
aan den bovenkant der figuur wordt gedacht. Als de maan in a is, '
staat ze juist tusschen de zon en de aarde in; men zegt, dat
ze dan in conjunctie (samenstand) met de zon is. De maan heeft
in dezen stand hare donkere zijde naar de verlichte aardhelft ge-
keerd, en wij kunnen derhalve de maan niet zien. Men noemt dit
nieuwe maan of donkere maan. in dit geval gaat ze tegelijk met de
zon op en onder.
Doch de maan beweegt zich verder op hare baan en is na 2i
dag in b aangekomen. Van de aarde uit ziet men het gedeelte
der maan, dat door het lijntje is afgescheiden, zoodat men slechts
een klein gedeelte van de verlichte helft der maan op aarde kan waar-
nemen. Dit deel vertoont zich als eene smalle sikkel kort na zons-
ondergang. De aarde kaalst van haar licht in dezen stand echter
licht naar de donkere helft der maan terug. Men heeft op dit ge-
deelte der. maan dus denzelfden toestand, als wanneer wij maneschijn
hebben, doch in sterker mate; op de maan is het «aardeschijn». Door
dat licht kan men dikwijls de geheele maan toch zien; gedeeltelijk
als eene hel verlichte sikkiel en het overige met een flauwen licht-
glans overdekt. Dezen zwakken lichtschijn noemt men het asch-
grauwe licht. Dit is slechts kort vóór en na nieuwe maan te zien.
Is de maan bij d aangekomen, d.in ziet men van de aarde \
gedeelte van de maan verlicht; het overige ^, dat wij zouden kunnen
zien, is donker. Men noemt dit eerste kwartier.
Bij g heeft de maan haar geheele verlichte gedeelte naar den don-
keren kant der aarde toegekeerd. Wij zien dan de maan als eene
prachtige schijf aan den hemel, en noemen haar volle maan. Daar
ze nu van de aarde uitgaande tegenover de zon staat, zegt men:
de maan slaat in oppositie (tegenstand).
Bij k heeft men laatste kwartier, enz. ,
Deze afwisselende schijngestalten der maan noemt men fhaseri,
(phdsis Gr. = schijn, verschijning.) ;
De phasen der maan ontstaan dus: ■ - j
. I. Door de wetiteling der maan om de aarde en
II. Doordien de maan haar licht ontvangt 7'an de zon.