Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
33
Fi.
17-
VI. De maan in hare betrekking tot de aarde.
§ I. De maan, hare beweging en schijngestalten. De aarde wordt op
hare baan orn de zon vergezeld door de maan. De maan is even-
eens een wereldbol als de aarde; echter van kleiner afmetingen. De
middellijn der maan bedraagt 469,2 geogr. m., terwijl haar inhoud
slechts 3'(5 van die der aarde uitmaakt.
Evenals de aarde is ook de maan een donker hemellichaam;
het zachte licht, dat zij ons toezendt, is het zonnelicht, dat op hare
oppervlakte naar de aarde weerkaatst wordt. Daar hare oppervlakte
met bergen bedekt is, liggen er natuurlijk telkens groote gedeelten
in de schaduw, en deze schaduwen vormen de donkere plekken,
welke wij op de maan kunnen waarnemen. Een dampkring heeft de
maan niet en derhalve ook geen water, daar dit zonder dampkring
oogenblikkelijk zou verdampen.
De maan heeft eene schijnbare dagelijksch" beweging, welke veel
met die der zon overeenkomt; zij komt in 't O. op, gaat door
den meridiaan en in 't W. onder. Deze schijnbare beweging is een
gevolg van de aswenteling der aarde.
Komt echter de
maan vandaag om
6 uur op, dan zal
ze den volgenden
dag bijna een uur
later opkomen en zoo
vervolgens. Hier-
door wordt bewezen,
dat de maan zich wer-
kelijk moet bewegen
in tegengestelde rich-
ting van de schijn-
bare beweging der
hemellichamen, dus
van 't \V. naar 't O.
Eveneens ziet men
soms de maan korten
tijd na zonsonder-
gang in het westen
de zon op kleinen
afstand in haar schijn-
baren loop volger.
ScWijatjestalten der maan. 'l^n volgen.fen
II. Hi.ink, Wis- eii Malimrk. Aardrijksk. 3