Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
stand der aarde bij A heeft de zon 23^° noorderdeclinatie. Dit is
de stand, welke de aarde 21 Juni heeft.
Is de aarde bij B, dan schijnt de zon loodrecht op het punt F.
Over dit punt heeft men de Zuider- of Steenbokskeerkring getrokken.
Den naam Steenbok heeft men er aan toegevoegd, omdat in dezen
tijd de zon in het teeken van den Steenbok staat. Dit is de stand
der aarde den 21 Dec. De verschijnselen aan de polen kunnen
nu gemakkelijk op de teekening nagegaan worden. Door de om-
wenteling der aarde schijnt nu de zon den Zuiderkeerkring aan den
hemel te beschrijven. Na het bereiken van de keerkringen gaat
de zon niet verder noordelijk of zuidelijk; zij schijnt een oogenblik
in rust te zijn, als om zich te wenden en keert daarna weder terug.
Men noemt dit de solstitiën (sol Lat. = zon en sto = ik sta) of zonne-
stilstandspunten.
Den 21 Maart en 23 September staat de zon juist in den evenaar
en schijnt dus van pool tot pool. In dien tijd zijn dag en nacht
voor alle plaatsen op aarde even lang.
Door de beweging der aarde oin de zon in verband met de helling
van de aardas op het vlak der ecliptica ontstaat de afwisseling der
jaargetijden.
Fig. 16 geeft eene aanschouwelijke voorstelling van het ontstaan
der jaargetijden. Bij de voorjaars- en herfstnachtevening (21 Maart
en 23 Sept.) schijnt de zon juist tot aan de noordpool en tot de
zuidpool; den 21 Dec. is het noorden tot den poolcirkel geheel in
't donker, den 21 Juni geheel in 't licht. (Zie de fig.)
Op de cirkels, welke de zon als het ware aanwijst om de aarde
te trekken, zie fig. 15, berust de verdeeling der aarde in lucht-
streken of klimaatgordels.
Tusschen de keerkringen ligt de warme luchtstreek.
Tusschen de keerkringen en de poolcirkels liggen de gematigde
luchtstreken (van 23^-° tot 66^° breedte).
De streken, door de poolcirkels ingesloten, heeten koude lucht-
streken (ten N. en Z. van 66^° breedte).
Vragen en Opgaven.
1. Waardoor ontstaan de Jaargetijden?
2. Hoe breed is de heete luchtstreek en waardoor wordt zij begrensd?
3. Hoe lang duurt de langste dag op 66J" breedte?
4. Hoeveel declinatie heeft de zon den 21 Maart, 23 September, 2i Juni en
21 December?
5. Hoe breed zouden de heete, de gematigde en de koude luchtstreken zijn,
als de aardas een hoek van 45° met het vlak der ecliptica maakte?
6. Welke verschijnselen zou men zien, als de aardas loodrecht op het vlak der
ecliptica stond? (Door teekening deze vragen duidelijk maken.)