Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
der aarde, welke de oorzaak is van de schijnbare beweging der zon.
Bij nauwkeurige beschouwing der sterren kan deze beweging der
aarde door de sterrenkundigen opgemerkt worden.
In de voortzetting van het vlak van de aardbaan heeft men aan
den hemel een gordel, waarin 12 sterrenbeelden op bijna gelijken
afstand aan het gewelf verdeeld zijn. Deze sterrenbeelden dragen
meest de namen naar dieren, en daarom wordt die gordel ook wel
zodiak (Gr. dzodiakós met weglating van kyklos = kring. Dzodiakós
van dzöon = dier) of dierenriem genoemd. Die sterrenbeelden
noemt men de teekens van den dierenriem. De dierenriem om-
sluit als het ware de voortzetting van het vlak der aardbaan
naar den hemel. Het vlak der aardbaan noemt men ook wel ecliptica,
omdat de verduisteringen of eclipsen alleen plaats hebben, als de
maan in of nabij dit vlak staat. Met den evenaar maakt, zooals wij
straks zullen zien, de ecliptica een hoek van 23^''.
Op de aardglobe is gewoonlijk ook de ecliptica geteekend met
de teekens van den dierenriem; dit is in enkele gevallen dienstig;
echter behoorde zij op eene hemelglobe alleen te huis.
Vragen en Opgaven.
1. Waardoor ontstaat er verschil tusschen een zonne- en sterredag?
2. Is het verschil tusschen zonne- en sterredag altijd even groot? (Zie 2" wet
van Kepler.)
3. Maak door eene teekening duidelijk, dat in den zomer de zonnedagen korter
zijn dan in den winter?
4. Maak door eene teekening duidelijk, dat men in een jaar i sterredag meer
heeft dan het aantal zonnedagen.
5. Hoe groot moet dus gemiddeld het verschil tusschen zonne- en sterredagen zijn?
6. Wat verstaat men door de ecliptica en wat door den dierenriem?
7. Waardoor ontstaat de schijnbare beweging van de zon door de teekens van
den dierenriem?
§ 5. Ontstaan der jaargetijden en verdeeling der aardein luchistrel<en
of zonen. De aardas staat niet loodrecht op het vlak van de aardbaan,
doch maakt daarmede een hoek van 661". Deze hoek blijft altijd
gelijk, en ook blijft altijd de aardas naar hetzelfde punt des hemels
gericht, het noorden naar de Noordpoolster. Wel beweegt zich de aarde
op hare baan, waardoor het schijnt, alsof de poolster niet altijd in het
verlengde van de aardas kan liggen, doch de lengte van de middellijn
der aardbaan valt geheel in het niet bij dien grooten afstand van
de poolster. Dit wordt duidelijk, wanneer men bedenkt, dat, zoo wij
van de poolster een lichaam op de plaats en van de grootte der
aardbaan konden zien, dit ons niet grooter dan eene ster aan den
hemel zou schijnen.
Laten wij nu nagaan, welke de gevolgen van de beweging der
aarde in verband met dien stand der aardas zijn.