Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
25
Fig. II.

Verklaring der 2® wet van Kepler.
dan het winterhalf
jaar.
Derde wet van
Kepler, De derde
wet leert ons uit
den omloopstijd
den afstand en uit
den afstand omge-
keerd den omloops-
tijd der planeten
kennen.
Opmerking.
De wetten van Kep-
ler zijn ook later door
de ervaring bevestigd.
Hij vond ze uit de
bouwstoffen, welke de
sterrenkundige waar-
nemingen van anderen
hem hiertoe leverden.
Newton, de groote En-
gelsche denker, Vond
later de oorzaken van deze beweging der planeten. De hoofdfactoren van de
beweging zijn de aantrekkingskracht der zon en de tangentiale beweging. (Lat.
tangere == aanraken; tangeus = raaklijn; tangentiale beweging z= het streven van
een lichaam, om zich
Fig. 12. in de richting der tan-
gens voort te bewegen).
Verkeerdelijkwordt deze
ook middelpuntvlieden-
de kracht genoemd; het
is niets anders dan een
gevolg van dealgemeene
wet van het volhardings-
vermogen. Is Z^ fig. ii^
de zon en A de aarde,
dan kunnen wij ons
voorstellen, dat de aarde
door het volhardings-
vermogen eene tangenti-
ale beweging heeft om
in X sec. den weg AB
af te leggen. Tegelijk
daarmede werkt de aan-
trekkingskracht, welke
A in X sec. naar C wil
voeren, en de gevolgen
daarvan zijn, dat A de
resultante dier beide
bewegingen volgt, en in
X sec. bij D. aankomt. Had men nu een kleinere tijdseenheid genomen, dan zou
het in dien tijd afgelegde gedeelte der baap niet van eene rechte Ujn afwijken,