Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
2 i
Vragen.
1. Hoe kan uit de dagelijksche beweging der sterren de aswenteling der aarde
verklaard worden?
2. Geef de verdere bewijzen der aswenteling -op.
3. Welk resultaat zou het leveren, zoo men de proef van Benzenberg aan de
pool kon uitvoeren?
4. Is de afwijking der passaten alleen een bewijs voor de aswenteling? Zou ze
bijv. ook plaats hebben, als de aarde een cylinder was?
5. Wanneer de passaten in plaats van N.O. en Z.O. eens N.W. en Z.W. winden
waren, hoe zou dan de aarde om hare as moeten wentelen?
§ 2. Gevolgen van de aswenteling der aarde. De tegenoverstaande
punten van den bol, waarom de rotatie plaats heeft, heeten polen
(Lat. polus. Gr. pólos van pélein = draaien). Deze poolpunten
zijn in rust. Van pool tot pool loopt de denkbeeldige aardas.
Het verlengde van die denkbeeldige aardas naar den hemel is de
hemelas. In het Noorden ligt de poolster in de hemelas, in het
Zuiden vindt men daar geen ster; een zuidpoolster bestaat er niet.
Ook is het nu duidelijk, waarom van het N. halfrond de sterren
om de Poolster schijnen te wentelen.
Een gevolg van de aswenteling der aarde is de schijnbare dage-
lijksche beweging der hemellichamen en dus ook van de zon. De
dagelijksche beweging van de zon heeft weder de afwisseling van dag
en nacht ten gevolge. Ook moet hieruit het verschil in tijd verklaard
worden. Wanneer de zon in den meridiaan van eene plaats staat, heeft
die plaats twaalf uur middag en daarnaar regelt men den tijd. Alle
plaatsen ten O. van ons hebben de zon vroeger in hun meridiaan,
alle plaatsen ten W. van ons later. Daardoor is het op plaatsen
ten O. van ons ook eerder 12 uur middag; men heeft het er dus
later. Ten W. van ons is het daarentegen omgekeerd. Daar de
zon in 24 uren de geheele schijnbare omwenteling om de aarde
3600
maakt, en dus 360" doorloopt, zal ze in i uur - i5°doorloo-
24
pen. Op plaatsen, 15° ten O, van ons gelegen, is het dus i uur
later, en 15° ten W. van ons i uur vroeger; m. a. w.: hebben wij
12 uur, dan is het op alle plaatsen 15° ten O. van ons reeds
I uur; op alle plaatsen 15° ten W. van ons nog maar 11 uur.
De gevolgen van die beweging voor de passaten zijn reeds ge-
noemd ; ook bij meridionale zeestroomen vindt men dien invloed,
doch op kleiner schaal. Den invloed der omwenteling op ebbe en
vloed gaan wij later na.
Opgave.
Maak door eene teekening duidelijk, welke uren van den dag men op verschil-
lende lengten op hetzelfde oogenblik heeft.