Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hamburg hebben wij eene proef te danken, waardoor men die as-
wenteling bewijzen kan.
Laat men een zwaren kogel van eene aanzienlijke hoogte vallen, dan
zal deze niet loodrecht onder het valpunt., maar een weinig ten Oosten
daarvan neerkomen.
Benzenburg nam deze proefin 1802 op de Michaëlstoren te Hamburg.
In nevensstaande fig. 7 is A het middelpunt der aarde, welke in de
richting der pijltjes van het W. naar het O. om hare as wentelt.
De toren bc wentelt met de aarde mede, en zooals natuurlijk is,
beschrijft de top c daarbij een grooter cirkel in 24 uren dan de
voet b. Heeft men nu een kogel bij c, dan deelt deze in de snel-
heid van c, en tracht die snelheid volgens de algemeene natuurwet
van het volhardingsvermogen te behouden. Veronderstel nu, dat die
kogel in seconden van c naar b kan vallen, en dat tegelijk in
die X sec. de aarde van b tot b' omwentelt, dan zal de top c in c'
aankomen. De kogel bij c heeft dus twee bewegingen; ééne die
hem in x sec. naar c' en ééne die hem in x sec. naar ^ wil voeren.
Het gevolg hiervan is, dat hij de resultante dier beide bewegingen
volgt, waardoor de kogel bij d aankomt, op het oogenblik dat de
toren den stand b'c' heeft. Het schijnt nu, dat de kogel den weg cV
heeft afgelegd; in werkelijkheid legt hij den weg c d a.{ door de
ruimte. De kogel komt onder 't vallen telkens op plaatsen met ge-
ringer omwentelingssnelheid en geraakt daardoor iets vóór naar het
O. Dit verschijnsel, dat plaats moet hebben als de aarde om hare
as wentelt, nam Benzenberg werkelijk waar bij zijne proeven, en
hieruit besloot hij dus tot de aswenteling der aarde.
IV. De afwijking der passaten en antipassaten., in het noordelijk
halfrond naar de rechterzijde en in het zuidelijk halfrond naar
de linkerzijde., is een gevolg van de aswenteling der aarde in
verband met haren bolvorm.
De passaten zijn, zooals wij later zien zullen, winden, die van
hoogere breedten naar den evenaar stroomen. Daar de aarde een
bol is, wordt de omwentelingssnelheid van de polen naar den evenaar
bestendig giooter, en daardoor komen de passaten steeds op plaat-
sen met sneller beweging van het W. naar het O. Omdat de passaat
door het volhardingsvermogen in de vroegere, geringe snelheid steeds
blijft volharden, geraakt hij dus iets achter en verandert daardoor
van een wind in de richting van den meridiaan in het noordelijk
halfrond in eene N.0.. in het zuidelijk halfrond in een Z.W. wind.
Deze regelmatige afwijking van meridionale winden is een bewijs
van de aswenteling der aarde. (Zie verder hierover bij de passaten).