Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
3- Waarom heeft men in bet zuidelijk halfrond geen circumpolairsterren met
noorder-declinatie ?
4. Hoe groot is de hoogle van eene circumpolairster, welke 10' van de N.pool
verwijderd is, tijdens hare bovenste culminatie voor eene plaats op 52» N.Hr.?
5. 11 Je groot is de hoo;,'te dier ster, tijdens de benedenste culminatie voor die
plaats? (Ooor teekening duidelijk maken.)
III. Oorzaken en gevolgen van de schijnbare
dagelijksclie beweging der hemellichamen.
§ I. De aswenteling of rotatie der aarde (rotatio Lat. van
rolfire = in ccn kring ronddraaien). De dagelijksche beweging der
heniellichainen is slechts schijnbaar; zij is een gevolg van de wen-
teling der aarde om hare as. De aarde wentelt in 24 uren van het
Westen, naar het Oosten eenmaal om hare as.
Daar wij deze beweging niet voelen, schijnt het ons toe, alsof de
Iietuellichamen in eene tegengestelde richting, van het O. naar het
\V., ora de aarde wentelen. In de roef van eene trekschuit zien wij
ook eveneens, dat boomen en huizen ons steeds voorbijsnellen; door
liet onvoelbare van de beweging krijgen wij den indruk, dat wij in
rust zijn, en schrijven de zichtbare beweging aan de omringende
voorwerpen toe.
Fig. 8. Bewijzen voor de aswente-
ling der aarde.
I. De sterren., welke op zeer
verschillenden afstand van
ons verwijderd zijn., wente-
len in gelijken tijd dagelijks
schijnbaar om de aarde. Deze
gelijke beweging zou bij al
die hemellichamen nauwe-
lijks denkbaar zijn.
II. Men zou zich bijna geen
snelheid kunnen denken zoo
groot., dat de hemellichamen
daarbij op dien verren afstand
in 24 uren een kring om de
aarde konden beschrijven.
III. Beide vorige beweringen
De proef van Benzenberg. gcven sleclits eene waar-
schijnlijkheid van de aswen-
teling der aarde aan; 't zijn geene bewijzen. Aan Benzenberg te