Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
2 3 Sept. en den 21 Juni, benevens die en van een paar sterren
aan het hemelgewelf geteekend. Nemen wij nu eens een denkbeel-
digen noordpoolbewoner B. Zijn ware horizon zal samenvallen met
den boog, dien de zon den 21 Maart en 23 Sept. beschrijft. Op die
dagen ziet hij dus de zon langs zijn horizon bewegen, zonder onder
te gaan. Den 21 Juni beschrijft de zon den noorder keerkring en B
ziet dan de zon op eene hoogte van 23^° langs den hemel bewegen,
altijd even hoog boven zijn horizon. De sterren geven hetzelfde
verschijnsel; ook zij bewegen zich om hem heen op dezelfde hoogte.
Alleen de poolster, welke in zijn zenith staat, is in rust.
Eigenlijk is de beweging der zon niet zuiver evenwijdig aan zijn horizon.^ Zij
beweegt zich schroefvormig, naar boven en beneden, doch dit is zoo gering, dat
het dagelijks niet opgemerkt kan worden. Alleen den 21 Jnni en den zi Dec.
beweegt zich de zon zuiver evenwijdig aan zijn horizon.
Omdat voor de polen zich alle hemellichainen evenwijdig aan den
horizon bewegen., noemt men dit den parallellen hemelstand. De zon
komt voor de noordpool den 21 Maart op, heeft 22 Jimi haar grootste
hoogte (23^°) bereikt., daalt daarna langzaam, totdat ze 23 Sept.
weer aan den horizon is en een half jaar onder den horizon blijft.
Men heeft aan de polen ^ jaar aaneen dag, en een halfjaar aaneen
nacht. Al de zichtbare sterren zijn voor de polen circumpolairsterren.
Voor den evenaarbewoner A is het vlak door de Z.-P. en N.-P.
de ware horizon. Al de dagcirkels der hemellichamen staan, zooals
te zien valt, loodrecht op zijn horizon, terwijl de noordpoolster
juist in den horizon ligt.
Omdat voor den evenaarbetuoner de dagcirkels van alle hemellichamen
loodrecht op den horizon staan, noemt men dit den loodrechten hemel-
stand. De helft van al die dagcirkels ligt boven den horizon en de heljt
onder den horizon; daardoor is aan den evenaar dag en nacht altijd
even lang. De evenaarbewoner heeft geen circumpolairsterren^
Voor een bewoner C op gemiddelde breedte staan alle dagcirkels
schuin op den horizon H—H. Dit is voor alle plaatsen tusschen de
polen en den evenaar het geval, zooals gemakkelijk door teekening
van den horizon kan aangetoond worden. •
Tusschen de polen en den evenaar heeft men den schuinen hemelstand.,
omdat de dagbogen er alle schuin op den horizon der verschillende
plaatsen staan. In het N. halfrond heeft men den längsten dag den
22 en den koristen den 21 Dec. Den 21 Maart en 23 Sept.
zijn voor alle plaatsen op aarde dag en nacht even lang.
Vragen.
1. Hoe groot is de hoogte van de poolster voor de pool en hoe groot voor
den evenaar?
2. Welke declinatie hebben voor eene pla.its op 40» N.B. de sterren, die nog
juist circumpolairsterren zijn? (Door teekening duidelijk maken.)