Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
i6
Wanneer de zon of een ander hemellichaam door den meridiaan
van eene plaats gaat, zegt men, dat zij culmineeren, (Lat. culmen = top,
hoogste punt) omdat zij dan voor die plaats het hoogste punt be-
reiken. Heeft die doorgang door den meridiaan onder den horizon
plaats, bij de zon in fig. 7 A', B' en C' dan spreekt men van on-
derste culminatie.
Men kan de zonsmeridiaanshoogte gemakkelijk meten, als men des middags
uist te twaalf uur op een vlakken bodem een stok schuin in den grond steekt en
wel zoo, dat hij geen schaduw geeft, dus juist naar de zon wijst. De hoek dien
deze stok met den bodem maakt, is de zonsmeridiaanshoogte.
Bij G gaat de zon reeds onder den horizon en is dus voor S
niet meer zichtbaar. Het gestippelde gedeelte is de nachtboog der
zon, dat den 21 Dec. veel grooter is dan de dagboog.
Den 21 Maart en 23 Sept. beschrijft de zon den dagcirkel Oost-
A'-West-A'. Men ziet, dat zij dan juist in het Oosten opgaat en
dus O amplitudo heeft. In A is zij in den meridiaan; de zons-
meridiaanshoogte is de boog A-Zuid en bij W gaat zij onder. De
nachtboog is op deze tijden even groot als de dagboog, wat na-
tuurlijk ten gevolge heeft, dat dag en nacht even lang zijn.
Den 22 Juni, als de boog DBEB' beschreven wordt, komt de
zon in het N. O. op, heeft de grootste zonsmeridiaanshoogte, B-Zuid,
en gaat in het N. W. weer onder. Thans is de nachtboog veel
kleiner dan de dagboog. De zon verdwijnt slechts zeer kort onder
den horizon van S op 52° NB.
Eene ster St. zien wij een cirkel beschrijven om de N. Poolster
en niet ondergaan. Zulke sterren kan men er meer bij teekenen.
Men noemt deze sterren circiunpolairsterren (circum Lat. = rondom,
omheen.), omdat zij cirkels om de pool beschrijven welke geheel
boven den horizon liggen. Natuurlijk hebben niet alle plaatsen op aarde
hetzelfde aantal en dezelfde circumpolairsterren. Het sterrenbeeld de
Groote Beer bestaat voor ons uit zulke circumpolairsterren.
Deze bewegitig van de hemellichamen is alleen voor eene bepaalde
plaats geldig. Daar elke plaats een eigen horizon heeft, is ook de
schijnbare beweging der hemellichamen voor elke plaats verschillend.
De dagcirkel, welke de zon den 21 Maart en den 23 Sept. be-
schrijft , heet de aequator aan den hemel (aequare = gelijkmaken;
dus gelijkmaker); dag en nacht zijn dan even lang.
De dagcirkel, die de zon den 21 Dec. beschrijft, heet zuiderkeer-
kring of steenbokskeerkring. Daar de zon zich niet verder van den
evenaar verwijdert, maar hier haar grootste declinatie, 23'/o", heeft,
en daarna weder naar den evenaar terugkeert., noemt men dezen
cirkel keerkring.