Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
Den 21 Dec. komt de zon in het Z. O. op, gaat door den meri-
diaan en daarna in het Z. W. weer onder.
Den 2 2 Juni komt de zon in het N. O. op, gaat veel hooger door
den meridiaan en verder in het N. W. weer onder.
Deze cirkels, welke de zon dagelijks aan den hemel beschrijft,
heeten de dagcirkels van de zon. Het gedeelte, dat er van die cirkels
boven den horizon ligt, heet het gedeélte, dat er onder ligt,
heet nachtboog. Die dagcirkels van de-zon loopen evenwijdig aan
elkander en staan alle schuin op onzen horizon.
Fig. 7.
Dagelijksche beweging der hemellichamen voor 520 N. B.
In fig. I is het vlak
Noord-Oost-Zuid-
West, de horizon van
eene plaats op onze
breedte en de bui-
tenste cirkel eene
doorsnede van liet
hemelgewelf,volgens
den meridiaan van
de plaats van waar-
neming S...N. P. is
de Noordpoolster,
en de lijn, van daar
door S. getrokken
is de hemelas die
tot Z. P. (zuidpool
des hemels) voort-
loopt. Die denk-
beeldige hemelas is
de spil, waarom het
hemelgewelf met de
sterren wentelt.
Den 2T Dec. schijnt de zon dagelijks de boog FCGC' te be-
schrijven. Men ziet, dat de zon, die bij F boven den horizon komt,
ver naar het Z. O. opgaat. Dezen afstand noemt men de amplitudo
of morgenwijdte der zon (amplitudo zz: wijdte). Men verstaat
daaronder in het algemeen den afstand van het opgangs- of onder-
gangspunt van een hemellichaam tot het ware oostpunt of westpunt
van den horizon. Op de teekening is de amplitudo den 22 Dec.
de boog Oost-F van den horizon. Bij C komt de zon in den
meridiaan en zij is dus ten Zuiden van S. Echter is ze dan slechts
•zeer laag boven den horizon, zooals de boog van den meridiaan
C-Zuid aanduidt. Deze boog noemt men zonsmeridiaatishoogte.