Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
de Ster « te bepalen, denkt men daardoor den verticaalcirkel <r-Zenith-
Ster a-d. De boog tusschen Ster « en den horizon is nu de hoogte.
De hoek van dezen verticaalcirkel met den meridiaan is het azimuth
van die ster. Dezen hoek meet men door de boog van den horizon
tusschen Zuid en het snijpunt van dien verticaalcirkel met den horizon
bij d. De richting, waarin men meet, geeft het pijltje aan.
Daar azimuth en hoogte voor elke plaats verschillen en ieder oogen-
blik afwisselen, moeten plaats en tijd hierbij nauwkeurig opgegeven
worden.
Ten opzichte van den evenaar kan men ook nog de plaats van
een hemellichaam bepalen. Voor ons doel is het voldoende te weten,
dat men den afstand van een hemellichaam ten N. of ten Z. van
den evenaar, in graden uitgedrukt, declinatie (declinare Lat. = af-
wijken) noemt. Men meet die declinatie door de boog van den
meridiaan tusschen dit hemellichaam en den horizon. Wat men op
aarde dus breedte noemt, heet aan den hemel declinatie.
Vragen.
1. Hoeveel hemellichamen knnnen voor eene plaats 90» hoogte hebben?
2. Hoeveel hemellicbamen kunnen voor eene plaats o» hoogte hebben ?
3. Hoeveel praden azimuth heeft ster ^ in fig. 6?
4. Hoeveel graden azimuth heeft ster y in fig. 6, als van ster a. het azimuth
60» bedraagt?
5. Hoe groot is de declinatie der zon den 21 Maart en 23 Sept. ?
6. Welk hemellichaam kent gij, dat altijd 90" noorder-decUnatie heeft?
§ 2. Schijnbare beweging der hemellichamen. Als wij de hemel-
lichamen nagaan, zien wij, dat ze geen van alle, uitgezonderd de
poolster (en ook deze nog niet volkomen), voor ons in rust zijn.
Denkt men uit de poolster eene rechte lijn naar het middelpunt
der aarde getrokken, en deze verder door de aarde verlengd, dan
schijnt het ons, alsof de geheele holle hemelkogel met al de sterren
welke er aan bevestigd zijn in + 24 uur om die lijn, welke men
de henulas noemt, rondwentelt. De aarde schijnt oppervlakkig het
rustende middelpunt van dien voortdurend rondwentelenden hemelkogel.
Al de hemellichamen beschrijven bij die dagelijkscbe schijnbare
omwentelmg parallelle cirkels, waarvan een grooter of kleiner gedeelte
boven onzen horizon ligt. De beweging van de zon valt hierbij
voor ons het meest in het oeg; laten wij vooreerst iets nader nagaan,
hoe deze voor ons op + 52° N.B. plaats heeft.
Den 21 Maart komt de zon juist in het oostpunt op, beweegt
zich daarna schuin naar boven, is des middags te 12 uur in den
meridiaan en daalt na den middag weer schuin om juist in het
westpunt onder te gaan.
Den 23 Sept is hetzelfde het geval.