Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
dig op zijn wezen een bijzonderen stempel drukken. Al neemt men
diK aan, dat in zeer vroegen tijd de menschen van een klein aantal
afstammen, dan moesten toch door de invloeden van buiten na lan-
gen tijd wel kenmerkende verschillen te voorschijn geroepen zijn. In
werkelijkheid worden bij de menschen dan ook verschillen gevon-
den, die de geleerden aanleiding gaven de menschheid in onderaf-
deelingen, rassen genoemd, te onderscheiden.
§ 2. Indeeling der menschen in rassen. Omtrent de grondslagen,
waarop die indeeling in rassen berusten moet, is men het nog niet
eens en daardoor bestaat er dan ook verschil van indeeling bij de
geleerden. Vroeger nam men daarvoor de huidkleur aan en Blumen-
bach verdeelde de menschen in overeenstemming met de wereld-
deelen in 5 rassen: i. het Kaukasische of blanke ras, 2. het Mon-
goolsche of gele ras, 3. het Ethiopische of negerras, 4. het Ameri-
kaansche of roode ras en 5. het Maleische of bruine ras.
Echter bleek later, dat deze grondslag zeer onvoldoende was.
Door F. Müller en E. Häckel is eene indeeling ingevoerd, waarbij
hoofdzakelijk taal en haargroei tot kenmerken zijn genomen, doch
tevens gelet is op schedelvorm, stand der tanden en oogen,
gelaatshoek en huidkleur. Zoo onderecheiden zij: I. wolharigen., bij
wie elk hoofdhaar plat en niet rond is; 11. gladharigen, bij wie
de hoofdharen alle rond zijn en dus kleine c}'linders vormen. De
eerste onderscheiden zij weder in bundelhar ig endie het hoofdhaar
in bundels vereenigd hebben, en vliesharigen, bij wie het als een
vlies over 't hoofd is uitgebreid. De gladharigen onderscheiden zij
weer in sluikharigen., die glad en stijf haar hebben, en/«^^Aar/'g-c«, die
het haar in sierlijke lokken om het hoofd golft. Het volgende schema
geeft een overzicht van deze indeeling der menschen in 12 rassen.
Bundelharigen. Hottentotten.
I. Wolharige n.(
n. Gladharigen.
Miesharigen.
Sluikharigen.
Lokharigen.
I2. Papoea's.
* I. Afrikaansche negers.
I 2. Kaffers.
( I. Australiërs.
2. H)-perboreërs of bewoners
der Poolstreken.
3. Amerikanen.
4. Maleiërs.
5. Mongolen.
1 I. Dravida's.
|2. Nuba's.
(3. Middellandsche-zeevolken.