Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
172
hierbij die van een vorig jaar van de lucht af. Nederland geeft vele voorbeelden
van hooge venen.
Steenkolen zijn rijker aan koolstof en dit wijst reeds een hooger ouderdom aan.
De planten der steenkolenbeddingen zijn ook reeds in een vroeger geologisch
tijdperk gegroeid.
XXVI. Het leven der aarde.
planten- e.v dieren-geographie.
§ I. Het plantenkleed der aarde. De planten zijn als het ware
de tooi der aarde. Door haar verkrijgt een landschap bekoorlijk-
heid en afwisseling; waar geene planten groeien ligt de aarde woest
en ledig. Deze plantenarme streken noemt men woestijnen.
Het bestaan der planten hangt van vele geographische invloeden
af. Door die invloeden verandert soms na lange tijden het geheele
voorkomen der plant; zij schikt zich als het ware naar de omstan-
digheden, waarin zij leven moet. Op die wijze kunnen er verschillende
soorten ontstaan. In dit opzicht kan men zeggen, dat de planten
voor een deel een product zijn van de geographische toestanden,
waarin zij geplaatst worden.
De geographische invloeden op de planten zijn voor een gedeelte
een gevolg van atmosferische toestanden. Een groote rijkdom
van koolzuur is bijv. gunstig voor den plantengroei. Hierdoor was
deze zoo bijzonder weelderig in het steenkolentijdperk.
Van veel belang voor de planten is de temperatuur. Elke plant
heeft voor kiemen, groeien, bloeien en het rijpen der zaden eene
zekere quantiteit warmte noodig. Deze hoeveelheid is niet voor
alle planten gelijk, en overvloed kan even schadelijk zijn als
gebrek aan warmte. Zoo wordt elke plant door de temperatuur
eene grens aangewezen, die zij niet dan ten koste van hare ont-
wikkeling overschrijden kan. Eindelijk is ook den planten eene
absolute grens gesteld; bij deze heeft ze alleen de noodzakelijkste
levensbehoeften.
Over 't geheel kan men wel aannemen, dat eene hooge tempe-
ratuur den plantengroei bevordert. Hierdoor zijn dan ook de warme
luchtstreken het rijkst aan planten, zoowel individuen als soorten.
Van den evenaar naar de polen neemt dus over het geheel de planten-
groei af en eveneens van beneden naar boven. Op dezen grondslag
wordt de aarde in gordels verdeeld, die zich ieder door eene
karakteristieke -plantensoort kenmerken. Het volgende schema maakt
dit duidelijk.