Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
171
dieren het water van de opgeloste kalk zuiveren, nemen de planten
het koolzuur uit den dampkring op om het als koolstof in de bestand-
deelen der planten vast te leggen. Zoo bestaan alle planten voor
een groot gedeelte uit koolstof, die zij hoofdzakelijk uit de lucht
verkregen hebben.
Door bijzondere omstandigheden kan echter het koolstofgehalte
van eene doode plantenmassa nog vermeerderen. Als eene dergelijke
massa vrij aan de lucht blootgesteld is en beurtelings vochtig en
droog wordt, verrot zij, d. w. z. de deelen der planten verbinden
zich met de zuurstof der lucht tot gassen, die in den dampkring
opstijgen, en van de planten blijft slechts weinig achter.
Dit heeft niet plaats, als de planten gedeeltelijk van de lucht
zijn afgesloten door aarde of water.
Nemen wij bijv. eens hout, dat uit 53 pCt. koolstof, 42 pCt. stikstof
en 5 pCt. zuurstof bestaat. Als dit hout gedeeltelijk van de lucht
is afgesloten heeft er nog wel eene geringe verbinding met de gassen
der lucht plaats, doch bij dit proces wordt er meer zuurstof en
stikstof aan het hout onttrokken dan koolstof. Op deze wijze zal
dit hout zelfs zoo lang van de lucht gedeeltelijk afgesloten kunnen
blijven, dat er eindelijk alleen koolstof overblijft. Hoe langer dus
deze werking duurt, des te rijker wordt het overblijvende gedeelte
aan koolstof. Op deze wijze gaan die ophoopingen van planten tot
koolgesteenten over.
De voornaamste koolgesteenten zijn: veen (60 pCt. koolstof),
bruinholen (72 pCt. koolstof), steenkolen (85 pCt. koolstof), anthra-
ciet (94 pCt. koolstof) en graphiet of potlood (100 pCt. koolstof).
Bij graphiet zijn de overige samenstellende deelen van de planten
reeds geheel verdwenen; het is het oudste der koolgesteenten, veen
is het jongste.
Ofmtrking,
De venen onderscheiden wij in hooge en lage venen. De ondergrond der
hooge venen ligt boven, die der lage venen onder de oppeivlakte van het water.
Hieruit kan men afleiden, dat de lage venen ook onder water moeten gevormd
zijn. Zij zijn dan ook ontstaan uit waterplanten, plompen, scheeren enz., die in
ondiepe plassen groeien, en na hun afsterven in het water zinken. Door het
water worden zij voor geheele vérrotting bewaard, en op de hoven beschreven
wijze worden zij rijker aan koolstof. Zoo kan eene plas geheel met plantenmodder
gevuld worden. Men zegt dan dat de planten verkolen. Deze brijachtige modder
begroeit soms aan de oppervlakte met rietgrassen en andere planten en vormt
dan een taaie zode, die op den plantenmodder drijft. Dit noemt men drijjtillen of
kraggen. Deze zijn voor menschen meestal begaanbaar maar voor het vee niet. Men
vindt ze in Overijsel bij Giethoorn, in Holland bij Atüsmeer en in't N. W. Utrecht.
De hooge venen zijn boven het water ontstaan. Dichte natuurwouden hebben
soms den grondslag gelegd tot deze plantenophoopingen. Als het woud eindelijk
hierin stierf, konden de veenmossen en heide in de plantenmassa's nog leven, en
gaven daardoor aanleiding, dat het veen steeds hooger groeide. De planten zelf sloten