Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
155
neerslag dan regen. De hooge gebergten worden door die sneeuw
bedekt en op eene hoogte, die voor de onderscheidene gebergten
verschillend is, blijft zelfs het geheele jaar door de sneeuw liggen.
De hoogte boven de zee-, waar op de bergen juist zooveel
sneeuw valt als er jaarlijks smelten kan, noemt men de
sneeuwgrens of sneeüwlinie. Beneden .die sneeuwgrens wordt
de grond in den zomer van sneeuw ontbloot, boven de
sneeuwgrens blijft altijd sneeuw liggen; men heeft er eeuwige
sneeuw.
Boven de sneeuwgrens smelt er wel sneeuw, doch niet zooveel
als er jaarlijks gemiddeld valt. De hoogte der sneeuwgrens hangt
dus zoowel af van de temperatuur als van de hoeveelheid gevallen
sneeuw. Bij Quito (op o° breedte in de Andes) ligt de sneeuwgrens
nagenoeg op 5000 M., aan de zuidelijke helling van den Himalaya
op 3650 M. en aan de noordhelling op 4800 M., in de Alpen
op 2700 M., bij Mageroe in Noorwegen op 720 M. en te Spits-
bergen op 460 M. hoogte. Nergens bereikt deze sneeuwlijn waar-
schijnlijk de oppervlakte der zee.
Vragen.
1. Welken vorm zou de sneeüwlinie getrokken van pool tot pool hebben, als
de aarde uit eene gelijksoortige massa bestond en een zuivere bol was?
2. Waar zal in 't algemeen de sneeuwgrens in het N. halfrond het hoogst zijn,
aan de zuid- of aan de noordzijde van een gebergte?
3. Zou de sneeuwgrens ook aan de zuidhelliing van een gebergte hooger
kunnen zijn dan aan de noordzijde, en waardoor dan? (Zie Himalaya boven.
Verklaar dit.)
§ 2. Sneeuw boven de 'sneeuwgrens. Firn. Van de sneeuw
boven de sneeuwgrens smelt wel een gedeelte aan de oppervlakte,
doch niet de geheele massa. Het water van die gesmolten sneeuw
dringt in de andere, dieper gelegen lagen door en bevriest daar
weder. Hierdoor krijgt de sneeuw in het hooggebergte een korrelig
voorkomen, evenals sneeuw, welke bij ons in Februari of Maart
eenige dagen blijft liggen, en die over dag een weinig ontdooit
doch 's nachts weder bevriest.
Deze korrelige sneeuw boven de sneeuwgrens noemt men in
Zwitserland firn. (van fern = uit het voorjaar; oude sneeuw.). De
firn vult in het hooggebergte de uitgestrekte dalen met eene witte
massa, waar de punten en spitsen der steile rotsen bovenuitsteken.
De sneeuw boven de sneeuwgrens blijft daar niet altijd liggen.
Als er op eene steile berghelling eene groote massa opgehoopt is,
kan deze door de minste aanleiding in beweging komen. Dan stuift
de losse sneeuwmassa door de dalen naar beneden. Dit noemt
men eene stuiflawine. (Lawine \«an Lat. labi = vallen, afglijden;
Fransch lavanche.)