Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
154
Elders voert de zee de weeke gesteenten weer mede, en laat de
hardere als kapen in zee staan. De fjorden aan de westkust van
Bretagne zijn ontstaan door de zee, die de weekere leigesteenten
heeft geërodeerd, terwijl de hardere granietgesteenten als tongen in
zee blijven uitsteken. Hetzelfde is het geval bij vele inhammen aan
de westkust van Brittannië.
§ 13. Fjorden. (Föhrde, voorde). De grillig gevormde bochten,
die met steile wanden nagenoeg loodrecht in rotsachtige kusten
snijden, noemt men fjorden. Vooral aan de kust van Noorwegen
zijn ze karakteristiek; ook bij Patagonië, aan de westkust van
Britsch Noord-Amerika en elders worden ze aangetroffen. Zie fig. 88.
Zeer zeker zijn deze vormingen niet alle op dezelfde wijze ont-
staan, zoodat men dit niet tot een algemeenen regel kan brengen.
Enkele er van hebben aan de erozie van de zee hun oorsprong te
danken (zie boven); andere zijn dalen, door het stroomende water
in het gebergte gevormd, doch die later bij positieve niveauveran-
deringen (rijzen van het zeewater) onder het niveau der zee gedaald
en in inhammen veranderd zijn.
XXIII. Geologische werking van het water in vasten
toestand.
§ I. De sneeuwlinie of grens der eeuwige sneeuw. Wij hebben
vroeger reeds gezien, dat de temperatuur des dampkrings van beneden
naar boven afneemt. Als gemiddeld cijfer is daarvoor aangegeven
0,5° C. voor elke 100 M. bij bergtoppen. • In Ned. heeft men
eene gemiddelde jaartemperatuur van 10° C. Op een bergtop van
10
— X 100 = 2000 M. zou in Nederland dus eene temperatuur
heerschen van ongeveer 0° C. Zoo kan men op elk deel der aarde
tot eene hoogte stijgen, waar de temperatuur onder 0° is. Dat men
in de heete luchtstreek daartoe hooger moet stijgen dan bij ons,
ligt in den aard der zaak.
Daardoor gaat op die groote hoogten de waterdamp bij conden-
satie ook dikwijls in sneeuw over. Valt deze sneeuw naar de vlakte,
dan komt ze meestal op plaatsen met eene hoogere temperatuur,
smelt, en daalt ak regen neder. Bij ons bereikt alleen in den winter
de sneeuw de aarde; in de warme luchtstreken nooit.
Hierdoor heeft men op aanzienlijke hoogten meer sneeuw als