Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
lO
5. Hoe bepaalt men het uostpnnt en westpunt van den horizon?
6. Welken naam geeft men ook -wel aan den verticaalcirkel door de polen en
waarom ?
7. Wanneer bevindt zich de zon in dien verticaalcirkel?
§ 7. Plaatsbepaling op aarde en het meten der aarde. Om eene
plaats op een bol of op een vlak te bepalen, moet men eenige
vaste punten van uitgang hebben. Daarvoor heeft men op aarde,
even ver van de noord- als van de zuidpool, den evenaar gelrokken.
De natuur heeft dezen cirkel aangewezen; den 21 Maart en 23 Sep-
tember, als dag en nacht even lang zijn, beschrijft de zon dezen cirkel
aan den hemel, en in hetzelfde vlak ligt de evenaar op aarde. Op
deze dagen kan men dus een boog van den evenaar aan den hemel
zien, door de schijnbare baan, welke op die dagen de zon aflegt.
De evenaar verdeelt de aarde in twee gelijke deelen of halfronden,
het noordelijk en zuidelijk halfrond.
Van den evenaar af rekent men in graden naar het noorden en
zuiden. Den afstand van eene plaats ten N. of ten Z. van den nenaar
in graden uitgedrukt., noemt men breedte. Men omierscheidt noorder- en
zuiderbreedte. De breedte is dus de boog van den meridiaan eener
plaats, tusschen die plaats en den evenaar.
Evenwijdig van den evenaar heeft men cirkels getrokken, welke
men parallellen noemt (parallel = evenwijdig). Elk punt van eene
parallel is dus evenver van den evenaar verwijderd: al de plaatsen,
welke op dezelfde parallel liSgen, hebben daarom ook gelijke breedte.
Echter is de breedte alleen niet voldoende om eene plaats te
bepalen, omdat er een oneindig aantal plaatsen op dezelfde breedte
liggen. Daarom heeft men nog een cirkel noodig, om de plaats
volkomen te bepalen. Hiervoor heeft men willekeurige meridianen
genomen. De meridianen over Ferro, Greenwich en Parijs, zijn
meest in gebruik; de meridiaan van Greenwich wordt op zeekaarten
het meest aangenomen, omdat de berekeningen der Eng. sterren-
wacht hierop gegrond zijn. Men noemt dien meridiaan, waarvan men
uitgaat, den 1®" meridiaan of nulmeridiaan.
Den afstand van eene plaats ten O. of iV. van den eersten meri-
diaan, in graden uitgedrukt, noemt men de lengte van die plaats. Men
onderscheidt ooster- en westerlengte. Ook rekent men wel dikwijls alleen
naar oosterlengte en dan tot 359® door. De lengte is dus gelijk
aan den hoek, welken de eerste meridiaan maakt met den meridiaan
van de plaats, en welke gemeten wordt op den evenaar.
De namen lengte en breedte zijn nog overgebleven uit den lijd. toen men
meende, dat de aande een langwerpig vieikant vlak was. dat zich in de richting
van de MiddelL zee niutrekte. Daarom noemde men den afstand van hel O. naar
het W. lengte.