Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
144
op enkele plaatsen met witte neerhangende kalkkegels versierd. Zij
gelijken in vorm veel op de ijskegels, die men des winters soms
aan de daken kan zien hangen.
Op den bodem staan eveneens dergelijke kegels met de spits naar
boven. Somtijds raken deze kegels elkander, en vormen dan na-
tuurlijke zuilen in de onderaardsche zalen. De neerhangende kegels
noemt men stalaktieten (van staladzein Gr. = afdruppelen; sta-
laktis = het afdruppelende) en die, welke op den bodem rusten,
noemt men stalagmieten (stalagmos Gr. = het afgedruppelde). In
het algemeen noemt men het druipsteenvormingen.
De stalaktieten ontstaan door het koolzure water, dat in de poriën
van het gebergte koolzure kalk oplost. Dringt dit water nu tot de
grot door, dan druppelt het meer of minder langzaam naar beneden.
Doch in de ruimte ontsnapt het koolzuur aan het water, en de kalk
scheidt zich daarbij aan het gewelf af. Zoo wordt er met iederen
druppel een weinig kalk aangevoerd en daardoor ontstaan lang-
zamerhand die kalkkegels.
Als de droppels na het vormen onmiddellijk naar beneden vallen,
heeft de opgeloste kalk geen tijd zich aan het gewelf af te scheiden, doch
wordt ze medegevoerd naar den bodem, en vormt daar stalagmieten.
Somtijds worden deze zoo hoog, dat zij als zirilen het gewelf raken.
De druipsteenvormingen in de grot van Han in de Ardennen, en
van het Dechenhol bij Letmathe zijn zeer prachtig. Ook het Baumans-
hol in den Harz is bekend. In de kalkgebergten van Dalmatie vindt
men vele druipsteengrotten.
§ 3. Onderaardsche rivieren. Bronnen. Het water zoekt niet slechts
zijn weg over de aarde maar ook door de aarde. Niet alleen dat
de rivieren, welke op eene bergketen stuiten, deze somtijds door-
boren , ook spoelen zij somtijds geheele kanalen in den bodem uit,
zoodat er groote onderaardsche rivieren ontstaan. Dat de kalkge-
bergten hieraan rijk zijn, valt gemakkelijk te begrijpen.
Als deze onderaardsche rivieren ergens aan de oppervlakte komen ,
heeft men bronnen.
In de bergen kan het water der poriën somtijds in holten en
ruimten samenloopen. Vloeien deze reservoirs over, dan heeft men
eene bron, welke meestal van aanzienlijke hoogte komt en daardoor
eene lage temperatuur heeft. Fig. tj geeft daarvan een voorbeeld.
De aardkorst bestaat 'uit onderscheidene lagen van verschillende
dichtheid. Zoo gebeurt het dikwijls, dat twee dichte, vaste steen-
lagen een poreus gesteente insluiten. Als deze lagen eenige helling
hebben en van een sneeuwgebergte of op eene andere wijze water