Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
135
het water zich meer terug, en zoo bleven die gedeelten der aarde,
welke het minst inkrompen, als continenten boven de zeeën uitsteken.
§ 3. Gebergten, bergketens en lengtedalen. De gebergten en
bergketens zijn plaatselijke verheffingen van de lithosfeer op het
vasteland. De bergketens strekken zich in eene bepaalde lijn uit,
en het is opmerkelijk, dat de hoogste ketens nabij de zee of nabij
vroegere zeeën gevonden worden. De lagen, waaruit vele gebergten
bestaan, wijzen duidelijk aan, dat zij ontstaan zijn door opbui-
gingen van de lithosfeer; het zijn als het ware plooien in de
vaste aardkorst, evenals deze ontstaan bij een stuk papier, dat men
met de eene hand op eene tafel vasthoudt en met de andere hand
samenschuift. Natuurlijk is hierbij alleen sprake van de nietvulka-
nische gebergten.
Het ontstaan der bergketens kan men zich op de volgende wijze
voorstellen.
Fig, 70.
Fig. 70 stelt een gedeelte van de aarde voor met eene ondiepe,
regelmatige inzinking, de zee. Onder de zee zal door het water
de aardkorst sterker afkoelen dan onder het land en hierdoor ont-
staat er bij X eene ruimte. De vaste bodem der zee, welke niet
meer inkrimpt, vormt daardoor een gewelf, dat over een groot gebied
zijn steun verliest en langzaam wegzinkt. Echter is daarvoor de lengte
van den boog te groot en hierdoor ontstaat er eene vouw of plooi
in de aardkorst bij C. Deze vouwen ontstaan het gemakkelijkst op
die plaatsen, waar de aardkorst reeds gebroken is, dus op de
grens van een zinkingsgebied, of m. a. w. aan den oever der zee.
Echter kan de vouw door de zijdelingsche drukking ook verder in
het bmnenland ontstaan.