Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
134
Vroeger nam men als zeker aan, dat het niveau der zee gelijk
bleef, en sprak men in dit geval, dat er een rijzing van
de kust had plaats gehad, 't Is echter zoo goed als zeker, dat het
niveau der zee veranderlijk is, en waar dergelijke oude strandlijnen
boven 't water gevonden worden, kan ook even goed eene daling
van den zeespiegel tot dit verschijnsel aanleiding gegeven hebben.
Daarom spreekt men thans ook met meer juistheid van litorale
(litus, pl. litora Lat. = zeestrand, kust) niveauveranderingen.
Waar de zee op dit oogenblik lager staat dan vroeger, spreekt
men van negatieve niveauverandering. (= landaanwinst; het vroegere
rijzeti der kust.)
Het omgekeerde geval, dat nl. de zee thans hooger staat dan
vroeger, noemt men positieve niveauverandering. (= landverlies; het
vroegere dalen der kust.)
De negatieve niveauveranderingen zijn het best op te merken
en vandaar dat zij op de kaarten gewoonlijk een ruimer gebied
in beslag nemen. Positieve niveauveranderingen moeten geconstateerd
worden door onderzeesche bosschen, gebouwen enz.
Het kaartje geeft door verschillende kleuren de positieve-en negatieve
niveauveranderingen aan. Aan de kust van Noorwegen kan men
o. a. de eerste, langs de kust van Denemarken tot de Pyreneën de
laatste opmerken.
§ 2. Continenten en zeeën. Reeds op bladz. m hebben wij
gezien, dat volgens Krümmels berekeningen de gemiddelde hoogte
der continenten op 440 M., de gemiddelde diepte der zeeën op
3440 M. geschat wordt. Men zou dus de continenten als groote
hoogvlakten kunnen beschouwen, die zich met eene gemiddelde hoogte
van 440 M. -)- 3440 M. = 3880 M. uit de laagvlakten van den
zeebodem verheffen.
De vraag rijst nu als vanzelf op, of wij hier de gevolgen eener
verheffing van de continenten dan wel eene inzinking van den zee-
bodem zien?
Zooals wij reeds vroeger opmerkten, had de aarde vroeger een
hoogere temperatuur, en is dit met het inwendige nog het geval.
Daar de lichamen bij de uitstraling van warmte in omvang afnemen,
inkrimpen, en de aarde in temperatuur is afgenomen, komen wij
tot het besluit, dat de diepe laagvlakten der zeeën een gevolg zijn
van inkrimping en inzinking van de lithosfeer.
Deze inzinking is eerst langzaam ontstaan, en vandaar dan ook,
dat in den geologischen voortijd de zee bij minder diepte, eene grootere
uitgebreidheid bezat. Naarmate de zeebodem dieper wegzonk, trok