Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
r 11
Werelddeelen. G. mijl«.
Azië .
Amerika
Afrika .
Europa.
Australië
813000
697000
543000
173000
140000
Verhouding tot Europa.
Europa = i.
... 4,7
... 4,0
. • • 3.1
I
. . . 0,8
§ 2. Verticale vorm der continenten. De hoogte van deze con-
tinenten boven de oppervlakte der zee wisselt in oneindige verschei-
denheid af. Krümmel (aan wien wij ook de diepte-berekening der
zeeën te danken hebben) heeft uit tal van opgaven de gemiddelde
hoogte der continenten berekend. Hij vond daarvoor de volgende
cijfers:
Europa
Azië . .
Afrika .
Amerika
Australië
300 M.
500 M.
500 M.
410 M.
250 M.
Wanneer dus alle gebergten op de vastelanden geslecht waren,
zouden zij + de hoogten hebben, welke genoemde cijfers aangeven.
Als gemiddelde hoogte van alle continenten neemt men gewoonlijk
440 M. aan.
In elk continent heeft men nog weer eene oneindige verscheiden-
heid van hoog en laag. Daarom onderscheiden wij laaglanden en
hooglanden. De grens tusschen beide is willekeurig; men neemt
daarvoor gewoonlijk de gemiddelde hoogte der continenten, 440 M.,
of in een rond getal 400 M. aan. Groote uitgestrektheden lands,
welke meer dan 400 M. hoog zijn, noemt men hooglanden. Uitge-
strektheden lands, welke eene geringere hoogte hebben, noemt men
laaglanden. Daar de laaglanden meestal vlak zijn, spreekt men ook
wel van laagvlakten,
§ 3. Laagvlakten, De laagvlakten hebben gewoonlijk geringe
afwisseling in hoogte. Zij dragen in verschillende streken nog onder-
scheidene namen. In N.W. Duitschland noemt men ze naar eene
plantensoort heiden (erica = heideplant), in Hongarije poestas
(Magyaarsche naam voor heiden), in Zuid-Rusland en West-Azië
steppen (stepj Russisch = woestijn), in Noord-Rusland en Siberië
toendra s (=: mossteppen), in Noord-Amerika savannah's (van 't
Spaansch savana = bedlaken, altaarkleed) of prairiën (van 't Lat.
pratum, Fransch prairie = weide, grasvlakte), in Zuid-Amerika
pampa's (pampa, Peruaansch =: vlakte); aan den Orinoco llano\