Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
04
I. De beweging der aarde om de zon is de resultante van
hare tangentiale beweging en van den invloed der aantrek-
kingskracht van zon en maan.
II De grootte der aantrekkingskracht verschilt bij de onder-
scheidene deeltjes der aarde. Daardoor kan de resultante voor
alle deeltjes ook niet gelijk zijn en elk deeltje zal er naar
streven, eene afzonderlijkè baan om de zon te beschrijven. Bij
de deeltjes der vaste aarde wordt dit door den samenhang
verhinderd.
III. De waterdeeltjes zijn niet onbewegelijk met de aarde
verbonden, en daardoor gehoorzamen zij meer aan het streven
om zelfstandige banen te beschrijven. Wel verhindert de aan-
trekkingskracht der aarde dit, maar toch wordt het evenwicht
in de watermassa er door verbroken. Waar zich nu het water
van de aarde tracht te verwijderen , ontstaat vloed.
IV. De aswenteling der aarde vergroot aan de eene zijde
en vermindert aan de andere zijde der aarde de tangentiale
snelheid der waterdeeltjes. Hieruit kan het achterblijven van
de vloedgolf bij de beweging der zon en maan verklaard
worden.
Vraag.
i. Waardoor is het verschil tusschen ebbe en vloed in de Fundybaai zoo
groot ?
11. Invloed der _ regelmatige winden op het water,
¥
§ I. Zeestroomingen. Op vele plaatsen in zee heeft het water
eene beweging in eéne bepaalde richting. Dit zijn de zeestroomingen.
De zeestroomingen kunnen hooger of lager temperatuur bezitten
dan de plaatsen waar zij aankomen. In dit opzicht onderscheidt
men ze in koude en warme zeestro om en. Over het algemeen kan
men zeggen, dat de stroomen, die naar den evenaar gaan, koude
zeestroomingen, die naar hooger breedte stroomen, warme zeestroo-
mingen zijn.
Op de kaart kan men de zeestroomingen leeren kennen, zoowel
wat hunne richting als wat de onderscheiding in warme en koude
stroomen betreft. De voornaamste zijn:
I. De Equatoriaals tr o o m. Eigenlijk is het een dubbele stroom,
die nagenoeg evenwijdig aan den evenaar zich tusschen 20® N. en
Z.Br. naar het westen beweegt.
Tusschen beide deelen van den Equatoriaalstroom heeft men den
Equatorialen-tegenstroom, die van het W. naar het O. stroomt. Deze
stroomen vindt men in den Atlantischen en Grooten Oceaan.
IL De Floridastroom, die uit de golf van Mexico komt, en
langs de O.-kust der Vereenigde Staten naar het N.0. gaat. Op
40° N.Br. krijgt hij den naam van Golfstroom.^ onder welken naam