Boekgegevens
Titel: Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Auteur: Blink, H.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1885
Opmerking: Met bijlage: Atlas der natuurkundige aardrijkskunde behoorende bij Onze planeet, grondbeginselen ...
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 998 : 1e dr. (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203320
Onderwerp: Aardwetenschappen: fysische geografie, Astronomie: kosmologie
Trefwoord: Fysische geografie, Kosmologie, Leermiddelen (vorm), Atlassen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Onze planeet: grondbeginselen der wis- en natuurkundige aardrijkskunde ten dienste van Hoogere Burgerscholen, Normaalscholen en tot zelfonderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
lOI
de waterdeeltjes nabij G', en zoo ontstaat er bij G' een waterberg,
welke men vloed noemt. Deze vloed is juist aan den tegengestelden
kant van de zon. Aan de beide zijden der aarde wordt dit water
weggetrokken, en zoo ontstaat hier dus tegelijk laag water of ebbe.
Nemen wij nu een waterdeeltje bij D. Ook dit heeft twee be-
wegingen, eene in i sec. naar E (de tangentiale beweging) en eene
in I sec. naar F (door de aantrekkingskracht der zon). Echter is
D—F nu grooter dan A—C. (Z> ligt dichter bij de zon.) Daardoor zal
ook D zich van de aarde trachten te verwijderen, zooals het eind
der resultante bij B' aanduidt. Op deze wijze ontstaat er bij D\
dus op de plaats, welke de zon in den meridiaan heeft, ook vloed.
Men heeft dus tegelijk op twee plaatsen op aarde vloed en ebbe.
Daardoor komt elk deel der aarde tijdens de aswenteling tweemaal
in het vloedgedeelte en tweemaal in het ebbegedeelte, m. a. w.
heeft elke zee in + 24 uren 2 maal vloed en ebbe.
Evenals door de zon wordt ook het ontstaan van den vloed
door de maan verklaard. Hadden wij in plaats van de zon de maan
genomen, dan was de verklaring dezelfde gebleven. Echter is de
aantrekkingskracht der maan geringer, dus zou A—C in de tee-
kening kleiner moeten zijn, en eveneens G—ƒ en D—F. Maar
volgens berekening is het verschil van G—J en D—F bij de maan
grooter dan bij de zon. En juist hierdoor is ook de vloed, welke de
maan veroorzaakt, grooter dan die van de zon. De vloed toch wordt
veroorzaakt door het verschil in aantrekking van zon en maan op
beide zijden der aarde en niet door de volstrekte aantrekkingskracht.
Opgave.
i. Maak door twee teekeningen duidelijk, dat de vloed der maan hooger
moet zijn dan die der zon, hoewel de aantrekkingskracht van de laatste grooter is.
S 3. Het achterblijven van den vloed. Haventijd. Volgens het nu
verklaarde moet er vloed zijn op die plaatsen, waar zon en maan in
den meridiaan staan. In werkelijkheid is dit niet het geval; men
heeft den vloed overal eenigen tijd, nadat zon en maan reeds door
den meridiaan gegaan zijn.
Het verschil tusschen den tijd, dat zon en maan door den
meridiaan gaan en het oogenblik van den hoogsten vloed, noemt
men haventijd. Deze haventijd hangt voor een gedeelte van de
vastelanden af, die het water in zijn loop belemmeren, maar ook
voor een gedeelte van de aswenteling der aarde. Dezen laatsten
invloed, die overal gelijk werkt, zullen wij hier nagaan.
Wij hebben boven voor het gemak aangenomen, dat <J in i sec.
.even ver zou komen door de tangentiale beweging als A. Dit is
niet het geval, daar de aarde tegelijk met de beweging op hare